direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bentveld 2017
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening bestaat de plicht om voor het gehele grondgebied van de gemeente Zandvoort actuele bestemmingsplannen te hebben vastgesteld, die niet ouder zijn dan 10 jaar. Met deze wet worden de gemeenten gedwongen een strikter beleid te voeren ten aanzien van de houdbaarheid van hun bestemmingsplannen. Voor Bentveld vigeert op dit moment het bestemmingsplan “Bentveld”, vastgesteld op 29 januari 2008.

Actualisatie van bestemmingsplannen is niet alleen een wettelijke verplichting, maar ook gewenst, omdat verouderde beste2. mmingsplannen veelal geen adequate planologische regeling bevatten en niet meer in overeenstemming zijn met de gewenste ruimtelijke inzichten van het betreffende gebied. Tevens zijn plannen, regelingen en voorschriften die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening ingevolge artikel 10 van de Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting of ingevolge enige andere wettelijke bepaling geacht werden bestemmingsplan te zijn in de zin van de Wet op de Ruimtelijke Ordening per 1 juli 2013 in het geheel komen te vervallen.

Daarnaast verplicht de Wet ruimtelijke ordening dat bestemmingsplannen die na 1 januari 2010 in procedure worden gebracht digitaal vervaardigd dienen te worden en digitaal raadpleegbaar dienen te zijn.

Dit bestemmingsplan kan worden gezien als een voortzetting van de voorgaande juridisch-planologische regeling voor dit gebied. De regeling is wel afgestemd op de huidige wet- en regelgeving. Daarnaast zijn in het plan een aantal (nieuwe) wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden opgenomen waarmee (kleinschalige) ontwikkelingen mogelijk kunnen worden gemaakt.

1.2 Uitgangspunten van het bestemmingsplan

Ter voorbereiding op het opstellen van het bestemmingsplan is een inventarisatie uitgevoerd voor het bestemmingsplan. Strijdige situaties, zowel ten aanzien van gebruik als ten aanzien van bouwen, planwijzigingen en nieuwe initiatieven zijn geïnventariseerd.

De inventarisatie is input geweest voor de Nota van Uitgangspunten Bentveld 2017, vastgesteld op 23 mei 2017 door de gemeenteraad van Zandvoort. In de Nota van Uitgangspunten is aangegeven hoe dient te worden opgegaan met geconstateerde strijdigheden, planwijzigingen en nieuwe initiatieven en op welke wijze deze in het bestemmingsplan vertaald kunnen worden.

1.3 Plangebied

Het plangebied is globaal gelegen tussen de grens met Aerdenhout in het oosten, de Westerduinweg in het noorden, Zandvoortselaan tot Blinkertweg en de grens met de Amsterdamse Waterleidingduinen in het westen en de bebouwing aan de Zuidlaan, Duinrooslaan en Bramenlaan in het zuiden. Het betreft het bebouwde gebied van Bentveld. Hiermee wordt aangesloten bij de begrenzing van het vigerende bestemmingsplan Bentveld.

Het plangebied van het bestemmingsplan “Groot Bentveld”, vastgesteld op 22 december 2015, maakt geen deel uit van dit nieuwe bestemmingsplan. Omdat er voor dit perceel reeds een actueel planologisch kader is wordt dit plangebied uit het plangebied 'geknipt'. In afbeelding 1 is dit gebied geel gearceerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0001.jpg"

Afbeelding 1: globale begrenzing plangebied

1.4 Vigerend(e) bestemmingsplan(nen)

Voor het plangebied is het bestemmingsplan "Bentveld" van kracht. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 29 januari 2008. Op 30 september 2008 is het bestemmingsplan goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. Op 16 september 2009 heeft de Raad van State uitspraak gedaan over het goedgekeurde bestemmingsplan. Er is door de Raad van State op verzoek van de eigenaar en exploitant goedkeuring onthouden aan het perceel Zandvoortselaan 345-347. Dit vanwege het ontbreken van de mogelijkheid van het uitbaten van een hotel op deze locatie.

Voor dit perceel is een nieuw bestemmingsplan opgesteld, het bestemmingsplan “Zandvoortselaan 345-347”. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 27 november 2011 en zal integraal worden overgenomen in dit nieuwe bestemmingsplan. In afbeelding 1 is dit plangebied paars gearceerd.

Het bestemmingsplan “Bentveld” was conserverend van aard en was zoveel mogelijk gericht op handhaven van de bestaande structuren.

1.5 Karakter en opgave

Het bestemmingsplan is een juridisch instrument en bestaat uit planregels en de ruimtelijke verbeelding van het plan. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting. De planregels en ruimtelijke verbeelding van het plan leggen de bouw- en gebruiksmogelijkheden vast van de grond en opstallen en zijn juridisch bindend voor burger en overheid. De toelichting is een beschrijving van de keuzes die in de planregels en op de ruimtelijke verbeelding van het plan worden gemaakt.

Het uitgangspunt voor dit bestemmingsplan "Bentveld 2017" is een conserverend, gedetailleerd bestemmingsplan. Het plan biedt een beperkte ruimte om in te kunnen spelen op maatschappelijke en marktontwikkelingen (binnen de vastgestelde beleidskaders). Voor het overige zijn er uitsluitend beperkte ruimtelijke of functionele veranderingen mogelijk in het plangebied. In de planregels is daartoe een aantal flexibiliteitbepalingen opgenomen.

1.6 Opbouw toelichting

Achtereenvolgens komen na deze inleiding (hoofdstuk 1) de volgende onderwerpen aan de orde:

  • hoofdstuk 2 beschrijft de ruimtelijke en functionele kenmerken;
  • hoofdstuk 3 bevat het beleidskader met relevant rijks-, provinciaal en gemeentelijke beleid;
  • hoofdstuk 4 geeft de ambities en uitgangspunten weer;
  • hoofdstuk 5 gaat in op de omgevingsaspecten (specifieke wet- en regelgeving op gebied van water, milieu, ecologie, archeologie, enzovoorts);
  • hoofdstuk 6 gaat in op de planologische regeling: er wordt een motivering en leeswijzer gegeven voor de regeling van de bestemmingen, zoals weergegeven in planregels en op de ruimtelijke verbeelding van het plan;
  • in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

De resultaten van de inspraak ingevolge de gemeentelijke inspraakverordening en het overleg volgens artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden in een latere fase aan dit plan toegevoegd.

Hoofdstuk 2 Gebiedskenmerken

2.1 Ruimtelijk

2.1.1 Historie

Bentveld is gelegen op de reliëf- en bosrijke binnenduinrand. Dit duinlandschap van jonge duinen is pas ontstaan tussen 1200 en 1600. De oudere duinen zijn doorgaans door afslag verdwenen. De hogere, jonge duinen liggen door verstuiving voor een deel op deze oude strandwallen. Bentveld is gelegen op een dergelijke strandwal. De binnenduinrand bestond uit een bosrijke omgeving waar rijke regenten en kooplieden vele buitenplaatsen en landgoederen (Groot Bentveld, 17e eeuw) in bezit hadden.

In de 19e en 20e eeuw zijn op en rond deze landgoederen fraaie villawijken ontstaan. Halverwege de 19e eeuw, ontstond voor die tijd de eerste grootschalige uitbreiding in Zandvoort. Tegelijkertijd is de weg tussen Heemstede en Zandvoort aangelegd, wat de eerste goede verbinding vormde met het "achterland". Deze Zandvoortselaan doorsnijdt Bentveld. Vervolgens is in 1899 de tramlijn van Zandvoort naar Haarlem aangelegd waarop Nederlands eerste elektrische tram ging rijden. Deze ontsluitingen gaven een grote impuls voor verdere ontwikkeling van Bentveld en Zandvoort. Vijf jaar later werd de lijn naar Zandvoort gekoppeld aan het nieuwe tramtraject naar Amsterdam. De tramlijn Zandvoort - Amsterdam overleefde de crisis en vijf jaar bezetting, maar maakte in 1957 alsnog plaats voor een bus, die nog altijd de verbinding onderhoudt tussen het centrum van Amsterdam en Zandvoort. De oude trambaan, die op zo ongeveer 100 meter achter de Zandvoortselaan loopt, is nu in gebruik als vrijliggend fietspad.

In de 20e eeuw is de woningbouw in Bentveld op gang gekomen van met name vrijstaande villa's. Typisch Zandvoortse verandawoningen komen in Bentveld niet voor.

2.1.2 Structuren en karakteristieken

Het plangebied wordt gekenmerkt als een villadorp met een hoogwaardige kwaliteit. Bentveld kent een grillige structuur van gebogen lanen en straten met een eenvoudige profielindeling, begeleid door openbaar en particulier groen. Langs de straten in het zuidelijk deel van Bentveld zijn vaak bomenrijen geplaatst die het groene aanzien van de straten mede bepalen. Bentveld is aan drie zijden door duingebied omgeven en aan de vierde zijde loopt de verkaveling van de villawijken door in Aerdenhout. Het gebied wordt doorsneden door de Zandvoortselaan die een breed, voornamelijk verkeerskundig profiel kent. Doordat Bentveld is gebouwd op de reliëfrijke duingronden, zijn met name in de noordelijke helft van Bentveld hoogteverschillen in het gebied te ervaren.

Bentveld wordt grotendeels gekenmerkt door vrijstaande villabebouwing. Verspreid in het gebied bevinden zich ook enkele andere soorten van woonbebouwing. Langs de Zandvoortselaan zijn enkele aaneengebouwde woningen aanwezig. Aan het Bentveldsduin zijn enkele appartementengebouwen gesitueerd en tevens zijn er in het gebied aan de Saxenrodeweg 3 gallerijflats aanwezig.

Aan de Bramenlaan is een complex van woonzorgcentrum Bodaan gelegen. Naast het woonzorgcentrum is het wooncentrum Bodaan gelegen waarin verschillende appartementen zijn gesitueerd waarin zelfstandig gewoond wordt.

2.1.3 Monumenten en cultuurhistorie

Het gemeentebestuur vindt het belangrijk dat binnen Zandvoort de cultuurhistorische waarden in de vorm van dorpse kleinschaligheid en de authentieke, monumentale en historische bouwwerken, zo veel mogelijk behouden blijven. Dit besluit ligt in lijn met de uitspraken in de Structuurvisie Parel aan Zee + (2010) waarin belang wordt gehecht aan de historie en onderscheidende bebouwing van Zandvoort.

Voor Bentveld is het vanuit cultuurhistorisch oogpunt van belang dat de stedenbouwkundige structuur en de bijbehorende architectuur zoveel mogelijk gehandhaafd blijft. Het beleid is dan ook gericht op het handhaven van de bestaande kwaliteiten en eigenschappen. In geval van verandering of vervanging van bestaande elementen dient de nadruk te liggen op conformeren aan de reeds aanwezige context en waar mogelijk het herstellen van verloren waarden.

In het plangebied zijn een viertal panden aanwezig die zijn aangewezen als gemeentelijk monument. Deze panden worden op de planverbeelding aangegeven met de aanduiding 'karakteristiek'. De bebouwing aan de Zandvoortselaan 250-252 is aangewezen als gemeentelijk monument. Rond 1915 is deze bebouwing opgericht als complex voor het Gemeentelijk Waterleidingbedrijf Zandvoort, met onder andere een pompstation en een woning. In de voorgevel van nummer 252 bevindt zich het gemeentewapen van Zandvoort.

De woning aan Zandvoortselaan 269, bekend als Landhuis 't Heem, heeft monumentale waarde door de cottage opzet met een veranda met conische zuilen. In de tuin van dit perceel zijn oude waardevolle bomen aanwezig.

Het pand aan Zandvoortselaan 309 is in 1918-1919 gebouwd en ontworpen door architect J.A. Visser. De monumentale waarde is zichtbaar in de detaillering van ramen en deuren.

Het dubbele woonhuis aan Zandvoortselaan 357-359 is ook aangewezen als gemeentelijk monument, het bouwjaar van deze woning ligt rond 1910.

In het plangebied zijn geen rijksmonumenten aanwezig.

2.2 Functioneel

2.2.1 Wonen en werken

Bentveld heeft voornamelijk een woonfunctie van hoogwaardige kwaliteit. Vrijstaande villabebouwing wordt afgewisseld met aaneengebouwde woningen, appartementengebouwen en enkele gallerijflats. Een andere belangrijke functie is het natuurlijke groen. Het bosrijke duinlandschap is herkenbaar binnen Bentveld. Door de reliëfverschillen en de bosrijke percelen, wordt de ligging in het duinlandschap versterkt.

Naast de woonfunctie zijn er ook een aantal andere functies in het gebied gesitueerd. Zo zijn er een tweetal horecagelegenheden, kleinschalige dienstverlening en kantoren, een praktijk voor fysiotherapie en een garagebedrijf. Deze functies komen voor aan de Zandvoortselaan.

Voor dit plangebied wordt gestreefd naar het behouden van de woonfunctie en wordt vermeden dat (te) veel andere functies zich mengen in het plangebied.

2.2.2 Verkeer en parkeren

De Zandvoortselaan ligt centraal in het plangebied en vormt de ontsluitingsweg van de kernen Aerdenhout, Bentveld en Heemstede en eveneens richting Hoofddorp en Schiphol. De Zandvoortselaan heeft in het plangebied een gebiedsontsluitende inrichting en profilering met een bochtig karakter. Gedurende een groot deel van het jaar biedt deze weg voldoende capaciteit om een goede bereikbaarheid van Bentveld mogelijk te maken. Echter is in de zomermaanden sprake van veelvuldig filevorming door (strand-)bezoekers. In het kader van de uitvoering van het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) zijn er snelheidsbeperkende maatregelen in de vorm van drempels en inritconstructies naar de Zandvoortselaan aangebracht.

Langs de Zandvoortselaan bevindt zich vanaf de grens van de bebouwde kom tot aan de gemeentegrens aan beide zijden een fietspad. Daarnaast is een provinciale fietsroute aangelegd op het tracé van de voormalige trambaan.

Vanaf de Zandvoortselaan is Bentveld onder andere ontsloten door de Bentveldweg die bij de categorie erftoegangsweg plus behoort. Tevens zijn er nog een drietal andere ontsluitingsweg en die als erftoegangsweg fungeren. De binnen het plangebied liggende wegen zijn woonstraten en hebben een zodanig profiel, dat dit voor de verkeersafwikkeling geen problemen oplevert.

Het plangebied is door het openbaar vervoer ontsloten. Buslijn 80 verbindt Bentveld met Zandvoort en Amsterdam. Op zijn route komt deze bus onder andere langs NS-station Heemstede-Aerdenhout.

Ten aanzien van het parkeren zijn er geen problemen in het plangebied, omdat het merendeel van de woningen in het plangebied een parkeervoorziening op eigen erf heeft en er tevens langs de kant van de weg in de berm van de woonstraten wordt geparkeerd. Langs de Bentveldweg en Zandvoortselaan zijn insteekhavens aangelegd.

2.2.3 Natuur en landschap

Bentveld grenst aan het Hollands duingebied. Het Hollands duingebied is het meest uitgestrekte, gave duingebied van Noordwest-Europa. Het is van internationale betekenis. Het is een biologisch, morfologisch, hydrologisch en landschappelijk geheel van duinen met natte en vochtige duinvalleien, duingraslanden, struwelen, bossen en ruigten. Het ligt in de overgang van de kalkrijke naar de kalkarme duinen.

De beeldbepalende elementen en structuren van de duinen zijn de variërende mate van openheid, het reliëf, de duinvalleien en -plassen en de begroeiing (struwelen en bossen). De aanwezige beplanting bestaat uit typische duinvegetatie. De zorg voor het duingebied is belangrijk: het duingebied dient te worden beschermd.

De Kennemerduinen zijn aangemeld als speciale beschermingszone in het kader van de Europese Habitatrichtlijn. De speciale beschermingszone maakt onderdeel uit van een samenhangend Europees ecologisch netwerk: Natura 2000.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0002.jpg"

Afbeelding 2: ligging van de Natura 2000-gebieden (bron: www.natura2000.nl, 2017)

De Zuidduinen zijn aangewezen als beschermd natuurgebied, als bedoeld in de Wet natuurbescherming. De duinen die rond Bentveld liggen behoren ook tot de provinciale ecologische hoofdstructuur (PEHS). Hier zijn ontwikkelingen mogelijk die passen binnen de natuurdoelen voor het gebied en die de identiteit van het landschap versterken. De PEHS kent geen externe werking zoals van toepassing bij Habitatrichtlijngebieden. Nieuwe ontwikkelingen die buiten de PEHS mogelijk worden gemaakt, hoeven derhalve niet getoetst te worden aan eventuele negatieve gevolgen voor deze gebieden.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In de structuurvisie schetst het Rijk de ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland. Het Rijk heeft 3 hoofddoelen:

  • 1. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk- economische structuur van Nederland;
  • 2. het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • 3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Plangebied:

Het bestemmingsplan Bentveld heeft nauwelijks raakvlak met het nationale beleid. Gelet op het karakter van dit bestemmingsplan kan worden geconcludeerd dat het onderhavige plan in overeenstemming is met de Structuurvisie.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. Op 1 januari 2017 trad de laatste wijziging van het Barro in werking. Het Barro stelt een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0003.jpg"

Afbeelding 3: uitsnede uit het Barro, met in geel het kustfundament

Plangebied:

In het plangebied is het oostelijke deel van de Zandvoortseweg aangewezen als onderdeel van het kustfundament. Ten aanzien van het kustfundament is aangegeven dat een ruimtelijk plan dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het (vooraf) geldende bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk maakt die een belemmering vormt voor het uitzicht op de vrije horizon vanaf de gemiddelde hoogwaterlijn met de blik op zee. Daarvan is ter plaatse van deze locatie geen sprake.

Daarnaast mag met vaststelling van het bestemmingsplan geen belemmering ontstaan voor de instandhouding of de versterking van het zandige deel van het kustfundament. Voor het betreffende plangebied zijn geen activiteiten mogelijk die de waterkering zouden kunnen verzwakken. Het Barro staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden. Het betreft een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder).

De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan deze stedelijke ontwikkeling moet dan worden aangetoond. De behoefte is het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, looptijd bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapacitiet). De uitkomst van de beoordeling van de behoefte moet in de plantoelichting worden vermeld.

Voor uitwerkings- en wijzigingsplannen kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering van deze behoefte wordt doorgeschoven naar de toelichting behorende bij het uitwerkings- of wijzigingsplan.

Als stedelijke ontwikkeling wordt bedoeld:

'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'

In het Bro is geen ondergrens voor een minimale omvang vastgelegd van wat een stedelijke ontwikkeling is. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724) dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor overige stedelijke functies wordt gesteld dat 'in beginsel' geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m² bedraagt.

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als de Ladder niet van toepassing is, is wel een motivering nodig waaruit blijkt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening, zoals bedoeld in artikel 3.1.6, lid 1 van het Bro. Waarbij onder andere aandacht moet worden besteed aan de uitvoerbaarheid van het plan.

Plangebied

Zoals wordt beschreven in hoofdstuk 4 van deze toelichting worden er in dit bestemmingsplan geen ontwikkelingen opgenomen die vallen onder het begrip 'stedelijke ontwikkeling' zoals bedoeld in de duurzaamheidsladder. De Ladder is op dit bestemmingsplan dan ook niet van toepassing. De toelichting van dit bestemmingsplan gaat in op de uitvoerbaarheid, zoals bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid van het Bro, van dit bestemmingsplan.

3.1.4 Structuurvisie Ondergrond

Op 11 november 2016 is de Ontwerp Structuurvisie Ondergrond gepubliceerd. Hierin worden de beleidsvelden van de ruimtelijke ordening en de ondergrond op nationale schaal bij elkaar gebracht.

In de Ontwerp Structuurvisie Ondergrond (STRONG) worden de beleidsopgaven uitgewerkt die betrekking hebben op de nationale belangen 'drinkwatervoorziening' en 'mijnbouwactiviteiten', zoals de winning van olie, gas en aardwarmte en opslag van stoffen in de ondergrond. De ondergrond is van groot belang voor onze energievoorziening en grondwater is de belangrijkste bron van onze drinkwatervoorziening.

Het plangebied is in de STRONG aangewezen als gebied voor “Aanvullende Strategische Voorwaarden” en “Bescherming huidige grondwaterwinningen”. Het plangebied is door de provincie Noord-Holland aangewezen als een grondwaterbeschermingsgebied, zie paragraaf 3.2.3. Het beleid voor een beschermingsgebied is erop gericht de kans op verontreiniging van het grondwater binnen deze gebieden zoveel mogelijk te beperken door risicovolle activiteiten te verbieden of te reguleren.

De provincies hebben met het Rijk afgesproken dat zij binnen een periode van 2 tot 3 jaar Aanvullende Strategische Voorraden zullen vaststellen met een bijbehorend beschermingsregime. De provincies nemen daarbij een aantal afgesproken uitgangspunten in acht. Het Rijk overlegt periodiek met de provincies over de voortgang van dit project.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0004.jpg"

Afbeelding 4: uitsnede kaart STRONG, in groen "Aanvullende strategische voorraden" én "Bescherming huidige grondwaterwinningen"

Plangebied:

In dit bestemmingsplan worden geen activiteiten opgenomen die van invloed zijn op de verontreiniging van het grondwater.

3.1.5 Wet Natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft 3 wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De provincies bepalen nu wat er wel en niet wordt toegestaan in de natuur in hun gebied. De provincies zorgen tevens voor vergunningen en ontheffingen. In deze nieuwe wet blijft de bescherming van Natura-2000 gebieden vrijwel hetzelfde. Ook de bescherming van soorten blijft op een vergelijkbare manier beschermd als onder de Flora- en faunawet.

Plangebied:

Het plangebied grenst aan de noord-, zuid- en westzijde aan het Natura 2000 gebied “Kennemerland-Zuid”, zie afbeelding 2 in paragraaf 2.2.3. Het is een reliëfrijk en landschappelijk afwisselend gebied, dat grotendeels bestaat uit kalkrijke duinen. De overgang tussen de kalkrijke jonge duinen en de ontkalkte oude duinen ligt ter hoogte van Zandvoort. Dit levert een soortenrijke en kenmerkende begroeiing op. Wanneer er activiteiten of ontwikkelingen plaatsvinden die kunnen leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van het Natura-2000 gebied moet op basis van de Wet Natuurbescherming een vergunning worden aangevraagd. Dit bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het nabijgelegen Natura-2000 gebied.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040

Op 21 juni 2010 hebben Provinciale Staten de Structuurvisie Noord-Holland 2040 vastgesteld. In september 2015 is deze structuurvisie voor het laatst geactualiseerd. In de Structuurvisie Noord-Holland 2040 vormen drie hoofdbelangen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie.

  • 1. Ruimtelijke kwaliteit: hiervoor wordt vooral gefocust op behoud en ontwikkeling van Noord-Hollandse cultuurlandschappen, natuurgebieden en groen om de stad.
  • 2. Duurzaam ruimtegebruik: waarbij milieukwaliteiten, behoud en ontwikkeling van verkeers- en vervoersnetwerken, voldoende en op de behoefte aansluitende huisvesting en voldoende en gedifferentieerde ruimte voor landbouw, visserij en andere economische activiteiten een belangrijke rol spelen.
  • 3. Klimaatbestendigheid: voor voldoende bescherming tegen overstroming en wateroverlast, schoon drink-, grond- en oppervlaktewater en ruimte voor het opwekken van duurzame energie.

In de provinciale structuurvisie is het bestaande woongebied van Bentveld aangewezen als "Bestaand Bebouwd Gebied" (BBG). Het plangebied grenst grotendeels aan het gebied dat is aangewezen als "Natuurnetwerk Nederland". Binnen bestaand bebouwd gebied zijn stedelijke functies als wonen toegestaan. In de zuidwesthoek van het bestemmingsplan ligt de manege Naaldenveld, deze is aangewezen als "gecombineerde landbouw".

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0005.jpg"

Afbeelding 5: uitsnede uit de kaart “Huisvesting” uit de Structuurvisie Noord-Holland 2040, in rood 'Bestaand Bebouwd Gebied (BBG)'

3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening

Provinciale Staten hebben op 28 september 2015 de Provinciale Ruimtelijke Verordening gewijzigd. Op 20 december 2016 is de Provinciale ruimtelijke verordening door Provinciale Staten vastgesteld en op 1 maart 2017 is deze in werking getreden.

De Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) stelt algemene regels aan bestemmingsplannen met als doel het veiligstellen van de provinciale belangen. In de PRV worden voor een aantal onderwerpen regels gesteld die door rijksoverheid bij de provincies zijn neergelegd ter verdere uitwerking en/of aanvulling in een provinciale verordening. Op deze wijze komen de rijksregels 'getrapt' in bestemmingsplannen en beheersverordeningen terecht. Het gaat hierbij om de volgende onderwerpen:

  • bundeling van verstedelijking en locatiebeleid economische activiteiten;
  • rijksbufferzones;
  • ecologische hoofdstructuur;
  • nationale landschappen;
  • het kustfundament;
  • het regionale watersysteem.

De regeling die is opgesteld in de PRV heeft betrekking op de volgende onderwerpen:

  • de aanwijzing van bestaand bebouwd gebied;
  • mogelijkheden, kwaliteitseisen en Ruimte voor Ruimte voor het landelijk gebied;
  • werkfuncties en grootschalige detailhandel in Bestaand Bebouwd Gebied en landelijk gebied;
  • de Groene ruimte;
  • de Blauwe ruimte;
  • energie (windturbines).

Plangebied: 

Voor het plangebied is de ligging binnen 'Bestaand Stedelijk Gebied' (BSG) van belang. Hiermee wordt het bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder h van het Besluit ruimtelijke ordening bedoeld. Alleen binnen het BSG kunnen nieuwe stedelijke ontwikkelingen plaatsvinden, mits deze in overeenstemming zijn met in de regio gemaakte afspraken. Onder deze stedelijke ontwikkelingen worden woningbouw, bedrijventerrein en kantoren, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen verstaan.

Het plangebied grenst direct aan gebieden die behoren tot de ecologische hoofdstructuur (EHS), maar het plangebied zelf behoort niet tot de EHS. Omdat er via dit bestemmingsplan geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt zijn er vanuit de verordening geen specifieke aandachtspunten voor dit bestemmingsplan.

3.2.3 Provinciale Milieuverordening

Op 14 januari 2002 is de Provinciale Milieuverordening (PMV) van de provincie Noord-Holland vastgesteld. Deze verordening is via een aantal tranches verder aangevuld, gewijzigd en geactualiseerd. Op 6 februari 2017 is tranche 10 van de Provinciale Milieuverordening (PMV) vastgesteld. In deze PMV komt onder andere de grondwaterbescherming en de bescherming van de Aardkundige Monumenten aan de orde.

Het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied van de provincie Noord-Holland. De provincie Noord-Holland kent drie zones ten behoeven van de bescherming van drinkwater; waterwingebied (60-dagen zone), grondwaterbeschermingsgebied I (25 jaar zone) en grondwaterbeschermingsgebied II (110/ 200 jaar zone). Binnen grondwaterbeschermingsgebieden gelden diverse gebruiksbeperkingen om het drinkwaterbelang te beschermen, deze zijn beschreven in de provinciale milieuverordening.

De provinciale milieuverordening schrijft voor dat in grondwaterbeschermingsgebieden moet worden voorkomen dat er inrichtingen worden gevestigd die voor de kwaliteit van de bodem en grondwater met het oog op waterwinning een te groot risico vormen. Voor deze inrichtingen geldt een absoluut verbod. Het verbod betreft de categorieën van inrichtingen die zijn aangewezen in bijlage 1, onderdeel D, van de verordening.

Plangebied:

Grondwaterbeschermingsgebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0006.jpg"

Afbeelding 6: ligging plangebied in grondwaterbeschermingsgebied

Het plangebied is grotendeels aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied I en voor een klein gedeelte als grondwaterbeschermingsgebied II. In artikel 5.3 zijn de voorwaarden ten aanzien van de grondwaterbeschermingsgebieden I en II beschreven.

In het plangebied is geen inrichting in werking die behoort tot één of meer van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage 1, onderdeel D. Dit bestemmingsplan biedt ook geen mogelijkheden voor het oprichten van een dergelijke inrichting.

Onder titel 5.3 van de Provinciale Milieuverordening zijn een aantal verboden opgenomen. Zo is in artikel 5.3.10 van de Provinciale Milieuverordening bepaald dat het verboden is in een grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte en/ of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd.

Aardkundige Monumenten

Bijzondere kwaliteiten van het oorspronkelijke natuurlijk landschap worden door de provincie aangeduid als Aardkundige Waarden of Aardkundige Erfgoed. De fraaiste en indrukwekkendste van deze Aardkundige Waarden heeft de provincie de status Aardkundig Monument gegeven. Het doel van het aardkundige monumentenbeleid van de provincie is de duurzame instandhouding van gebieden die extra bescherming behoeven vanwege hun waardevolle bodem en/ of waardevolle elementen die primair bepaald zijn door de bodem. In de Provinciale Milieuverordening zijn regels opgenomen ter bescherming van deze gebieden.

Rondom het plangebied bevindt zich het Aardkundig Monument "Duingebied Nationaal Park Zuid-Kennemerland en Amsterdamse Waterleiding Duinen". Voor een Aardkundig Monument geldt op basis van de Provinciale Milieuverordening een zorgplicht. Tevens is bepaald dat het verboden is in of op een aardkundig monument handelingen te verrichten die het Aardkundig Monument kunnen aantasten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0007.jpg"

Afbeelding 7: ligging aardkundige monumenten, in rood het plangebied Bentveld

Het plangebied van dit bestemmingsplan zelf ligt buiten het Aardkundig Monument. De bouw- en gebruiksmogelijkheden die op basis van dit bestemmingsplan toegestaan worden in het plangebied leiden niet tot aantasting van het naastgelegen aardkundige monument.

3.2.4 Waterbeheerplan

In maart 2016 is het Waterbeheerplan 5 van het Hoogheemraadschap van Rijnland vastgesteld. Dit waterbeheerplan geeft richting aan het waterbeheer in de periode 2016-2021. De speerpunten uit dit beheerplan zijn: waterveiligheid, voldoende water, schoon en gezond water en waterketen. Hiervoor wordt een duurzaam financieel beleid gevoerd.

De duinen behoren tot de primaire waterkeringen die ons land beschermen tegen hoogwater vanuit de zee. De Noordzeekust is helemaal op orde, de basiskustlijn wordt door het Rijk met zandsuppleties op orde gehouden. In 2017 start de vierde landelijke toetsronde van primaire waterkeringen.

Plangebied:

Het plangebied van Bentveld ligt buiten de primaire waterkering, daardoor is het niet nodig om via het bestemmingsplan beschermende maatregelen te nemen tot behoud van de waterkerende functie.

3.2.5 Beheersvisie Amsterdamse Waterleidingduinen

Door Waternet is de Beheersvisie Amsterdamse Waterleidingduinen opgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten voor het beleid en beheer voor de Amsterdamse Waterleidingduinen voor de periode tot en met 2022 vastgelegd. Waternet zorgt voor een vertaling naar concrete plannen en de realisatie in de praktijk. Beschreven wordt dat de Waterleidingduinen op drie manier uniek zijn: als waterwingebied, als natuurgebied en als recreatiegebied. In samenwerking met het naastgelegen Natura-2000 gebied Kennemerland-Zuid zal de natuur versterkt worden. Hiervoor is zowel een aanpak op grote lijnen als een aanpak op maat bedacht.

Plangebied:

De Natuurbrug Zandpoort zorgt voor een verbinding tussen de Amsterdamse Waterleidingduinen en het Nationaal Park-Kennemerland. Deze brug is inmiddels gerealiseerd en in april 2014 in gebruik genomen. De natuurbrug ligt net buiten het plangebied van het bestemmingsplan "Bentveld".

3.2.6 Ontwikkelperspectief Binnenduinrand

Het Ontwikkelperspectief Binnenduinrand schetst hoe de overheden samen met maatschappelijke partners, ondernemers en bewoners het unieke en hoogwaardige landschap van de Binnenduinrand voor de toekomst veilig kunnen stellen en verder kunnen versterken. Het benoemd daarnaast de ambities en spelregels om dit toekomstbeeld te realiseren. Het gebied Binnenduinrand betreft het kustgebied voor de Metropoolregio Amsterdam (MRA). De gemeente Zandvoort heeft actief bijgedragen aan de totstandkoming van het Ontwikkelperspectief. Op 7 juni 2017 is het concept Ontwikkelperspectief Binnenduinrand aan het college gezonden met het verzoek om dit vrij te geven voor inspraak. Deze inspraak zal in oktober 2017 plaatsvinden.

Een aantal ambities uit het Ontwikkelperspectief zijn niet nieuw en worden al uitgevoerd zoals de ambities vanuit het MRA om de kustplaatsen in de regio door te ontwikkelen tot "Amsterdam Beach". Veel ambities hebben al vertaling gekregen in de provinciale structuurvisie en – verordening. Deze beleidskaders blijven naast het Ontwikkelperspectief betekenis behouden. Wel nieuw is dat in dit Ontwikkelperspectief alle (bestaande en nieuwe) ambities en spelregels in samenhang met elkaar worden bezien.

Het Ontwikkelperspectief is niet het eindproduct, maar de start van een proces waarin een aantal belangrijke bestuurlijke afspraken gemaakt moet worden over ontwikkelmogelijkheden, bereikbaarheid, beheer, belegging van verantwoordelijkheden en (co-)financiering.

Plangebied:

Vanuit het belang van de versterking van de bestaande kwaliteiten op het gebied van landschap, recreatie en toerisme is ook de optimalisering van de bereikbaarheid van de regio en kust nodig. De nadruk voor de auto ligt op het verbeteren van de doorstroming van het verkeer. Het opheffen van knelpunten in de aanvoerwegen naar de hoofdkustroutes (Zandvoortselaan) is hier een belangrijke opgave in. Deze weg loopt vanaf Haarlem door Bentveld naar Zandvoort.

Voor Bentveld wordt op basis van het Ontwikkelingsperspectief Binnenduinrand gestreefd naar het behoud van de kwaliteit van de villawijk door onder andere het handhaven van het evenwicht tussen rood en groen. Dit bestemmingsplan biedt geen grootschalige ontwikkelingsmogelijkheden en is juist gericht op het behoud en versterken van de bestaande kwaliteiten van de woonomgeving. Dit is in lijn met de gedachte van het Ontwikkelperspectief Binnenduinrand.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0008.jpg"

Afbeelding 8: kaart "Ontwikkelingsperspectief Binnenduinrand"

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Gemeentelijke Structuurvisie Zandvoort, Parel aan Zee +

De Structuurvisie Zandvoort, Parel aan Zee + is op 26 januari 2010 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie geeft het gemeentelijk beleid op de ruimtelijke ordening weer tot aan 2025 en biedt een verdere doorkijk naar 2040.

De centrale visie van de gemeente is dat Zandvoort wil dat de steeds mobieler wordende mens blijft kiezen voor Zandvoort als plek waar men graag woont en recreëert. Zandvoort zet daarom in op een gezonde toekomst, met een sterke positie binnen de regio; een toeristische sector als belangrijkste economische motor; een aantrekkelijke woongemeente met een evenwichtige bevolkingsopbouw; een onderscheidende identiteit en 'kwaliteit boven kwantiteit'.

Aan de hand van zeven ambities wordt inhoud gegeven aan de centrale visie: 'thuiskomen', 'iedereen doet mee', 'toerisme en recreatie als economische motor', 'bestemming Zandvoort', 'beleef het landschap', 'authentiek en kleinschalig' en 'een veilige kust in weer en wind'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0009.jpg"

Afbeelding 9: uitsnede Structuurvisie Zandvoort Parel aan Zee +

Op de centrale visiekaart van de structuurvisie is Bentveld aangeduid als 'bosmilieu'. Het groene bosrijke uiterlijk maakt Bentveld aantrekkelijk om in te wonen. Eventuele ontwikkelingen mogen hier geen afbreuk aan doen. Het doel voor Bentveld is om de aanwezige woonkwaliteiten te handhaven en waar mogelijk te versterken.

Plangebied:

Ingrijpende ontwikkelingen zijn in Bentveld niet aan de orde. Het beleid is gericht op handhaven van het groene karakter van het buurtschap. Nieuwbouw door splitsing van kavels wordt vermeden, de lage dichtheid is essentieel onderdeel van de groene uitstraling van de kern. Langs de Zandvoortselaan wordt het omzetten van bedrijfsfuncties in wonen gestimuleerd.

3.3.2 Nota Openbare Ruimte

Op 29 oktober 2013 is de Nota Openbare Ruimte deel A vastgesteld. In de nota geeft de gemeente haar integrale visie op de openbare ruimte in hoofdlijnen. De Nota richt zich op de volgende in de structuurvisie omschreven speerpunten:

  • het maken van een kwaliteitslag in het dorp
  • het geven van een impuls aan het toerisme in het dorp
  • het behouden c.q. versterken van een aantrekkelijke woongemeente
  • een onderscheidende identiteit met een meer nadrukkelijke rol voor de historie en een betere benutting van de landschappelijke ligging

In de Nota wordt onderscheid gemaakt in het visitekaartje, de woonwijken en het landschap. In de woonwijken is het streven om, met name in de groenarme wijken de groene uitstraling te vergroten.

Bentveld valt onder het deelgebied "Woonwijk". Het beleid wat gevoerd wordt voor deze woonwijken is om de betrokkenheid bij de openbare ruimte van de bewoners van de wijken te vergroten. Dit past bij de trend waarbij bewoners de openbare ruimte opnieuw tot zich nemen.

Op 26 september 2017 is het handboek inrichting openbare ruimte, deel B1 door de gemeenteraad vastgesteld. Het handboek is een uniform inrichtingskader waarin de algemene inrichtingseisen opgenomen zijn voor de openbare ruimte uit het oogpunt voor beheer en onderhoud. Het ambitieniveau is beschreven als ook welke stappen er nodig zijn om dit te bereiken.

In deel B1 van de Nota Openbare Ruimte is het beleidskader verder uitgewerkt en vertaald naar een aantal basis-wegprofielen en voorstellen voor de materialisering en de toepassing van wegmeubilair. De inhoud van het handboek zal verwerkt moeten worden tot concrete wijkinrichtingsplannen, Nota Openbare Ruimte deel B2. Bewoners zullen daarin een belangrijke rol spelen. Zij leveren de extra input om tot een echte Zandvoortse inrichting te komen.

Plangebied:

Bentveld is een wijk met veel ruimte en heeft een groen karakter. Er is één speelplek in de wijk, aan de Bramenlaan. Dat is voldoende voor deze wijk omdat veel huizen in de wijk ruime tuinen hebben en er minder behoefte is aan speelvoorzieningen voor jonge kinderen.

De groene uitstraling van Bentveld is belangrijk en dient behouden te blijven. In het bestemmingsplan zal gekozen worden voor een bestemmingsregeling waarmee het bestaande groen, zowel particulier als openbaar, behouden blijft.

3.3.3 Toetsingskader voor het verlenen van afwijken van het bestemmingsplan

Bij besluit van 2 april 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders de (nieuwe) toetsingscriteria voor het verlenen van afwijkingen van het bestemmingsplan vastgesteld ten behoeve van:

  • opbouwen, bijbehorende bouwwerken, dakkapellen, het splitsen van grote woningen en aan huis verbonden beroepen en bedrijven.

Dit vastgestelde beleid biedt een aantal verruimingen ten opzichte van het vorige beleid. Daar waar door het vergunningsvrij bouwen ruimere mogelijkheden zijn ontstaan is het beleid zo mogelijk aangepast. Naast de aan huis verbonden beroepen is in dit beleid ook de mogelijkheid opgenomen om onder voorwaarden kleine bedrijven in of bij een woning te vestigen. Vrije beroepen en bedrijven dienen een duidelijk ondergeschikte functie te hebben ten opzichte van de woonfunctie. Besloten is om deze beleidsuitgangspunten op te nemen in nieuw op te stellen bestemmingsplannen.

Plangebied:

De toetsingscriteria zijn daar waar relevant vertaald in dit bestemmingsplan.

3.3.4 Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (GVVP) 2005

Het GVVP beschrijft in hoofdlijnen het gewenste beleid ten aanzien van verkeer en vervoer dat de gemeente Zandvoort voor de korte en lange termijn wenst te voeren. In de GVVP is een korte en lange termijnvisie op de onderdelen Infrastructuur, Fietsverkeer en Openbaar Vervoer gegeven.

De algemene doelstelling van het verkeers- en vervoerbeleid is te definiëren als "een duidelijke en logische indeling ontwikkelen in verkeersruimte en verblijfsgebieden. Het verbeteren van de leefbaarheid, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Het bevorderen van gebruik openbaar vervoer en fiets".

Plangebied:
Het GVVP geeft een wegencategorisering voor heel de gemeente Zandvoort. De Zandvoortselaan (N201) ligt centraal in het gebied en ontsluit Bentveld met Zandvoort, Aerdenhout en Heemstede. Deze weg heeft een gebiedsontsluitende functie. Vanaf de Zandvoortselaan is Bentveld onder andere ontsloten door de Bentveldweg die in het GVVP van 2005 bij de categorie erftoegangsweg plus behoort. Tevens zijn er nog een drietal andere ontsluitingswegen die als erftoegangsweg fungeren. De categorie erftoegangsweg plus zal overigens in het nieuw op te stellen verkeers- en vervoersplan van Zandvoort vervallen.

Langs de Zandvoortselaan bevindt zich vanaf de grens met de bebouwde kom tot aan de gemeentegrens aan beide zijden een fietspad. Daarnaast is een provinciale fietsroute aangelegd op het tracé van de voormalige trambaan. Voor het bestemmingsplan is het van belang dat de beschreven wegen, straten en routes een bestemming krijgen die past bij het gebruik.

3.3.5 Welstand/ Beeldkwaliteit

De gemeentelijke Welstandsnota is uit 2004. Voor elk gebied binnen de gemeente is op basis van stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische samenhang een bepaalde kwaliteit toebedeeld, waaraan vervolgens een bepaald welstandniveau wordt gekoppeld; een bijzonder of regulier niveau. Voor geheel Bentveld geldt een bijzonder welstandsgebied. Dit vanwege het bijzondere cultuurhistorische waardevolle karakter van dit gebied. Er zijn gebiedsgerichte welstandscriteria opgesteld om aan te toetsen.

Er is een nieuwe Welstandsnota in voorbereiding. Ook in deze nieuwe Welstandsnota geldt voor Bentveld een bijzonder Welstandsniveau. Via de gebiedsgerichte criteria zullen initiatieven in het plangebied worden getoetst. Voor de bebouwing langs de Zandvoortselaan zijn andere gebiedsgerichte criteria opgesteld dan voor het overige deel van Bentveld. Dit in verband met het bijzondere historische karakter van de weg.

Plangebied:

Hoewel de Welstandsnota niet juridische vertaald kan worden in een bestemmingsplanregeling, zal de juridische regeling van het bestemmingsplan wel aansluiten bij de uitgangspunten uit de Welstandsnota voor dit gebied. De planregels zijn met name gericht op het behoud van het landschappelijke duinrijke karakter en de reliëfrijke omgeving en de bestaande situatie wordt zoveel mogelijk gerespecteerd. Elk vergunningplichtig bouwwerk zal worden getoetst aan de Welstandsnota.

3.3.6 Retail- en horecavisie

Op 18 februari 2014 is de retail- en horecavisie vastgesteld. Het beleid in de retail- en horecavisie is erop gericht om de horeca meer te concentreren in het centrum van Zandvoort. De visie is niet van toepassing op Bentveld.

Plangebied:

In het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan zijn aan de Zandvoortselaan twee horecabedrijven gevestigd welke ook als zodanig positief bestemd worden. Er is geen detailhandel in het plangebied aanwezig.

3.3.7 Visie op verblijfsaccommodatie

Op 18 februari 2014 is de Visie op verblijfsaccommodaties Zandvoort vastgesteld. De toetsingscriteria die hierin zijn opgenomen zijn ingetrokken en op 16 juni 2015 door burgemeester en wethouders opnieuw vastgesteld. In de visie wordt de positie van Zandvoort als bestemming voor meerdaags verblijf beschreven. Deze positie is door de jaren heen verslechterd. De visie is bedoeld om het tij te keren.

Plangebied:

In het bestemmingsplan wordt de visie in de regels vertaald. Voor het gebied van Bentveld betekent dit dat er binnen de woonbestemming een regeling voor nachtverblijf moet worden opgenomen. Nachtverblijf betreft het verstrekken van nachtverblijf aan maximaal 4 personen.

3.3.8 Parkeernormennota

De Parkeernormennota 2012 is op 9 oktober 2012 vastgesteld. In de Parkeernormennota is het beleid vastgelegd ten aanzien van de parkeerplaatsen die gerealiseerd moeten worden bij de ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente. Dit beleid dient als toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen.

In de nota zijn parkeernormen vastgesteld die nodig zijn bij bouwprojecten en nieuwe ontwikkelingen in Zandvoort. De parkeernormen geven aan hoeveel parkeerplekken gerealiseerd moeten worden bij een bouwproject of nieuwe ontwikkeling. Afhankelijk van het gebied gelden er specifieke parkeernormen.

Aangezien er geen ontwikkelingen van enige omvang in het plan voorzien zijn, is nadere toetsing aan de parkeernormennota niet nodig. Indien er binnen de kaders van het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden, dan is de parkeernormennota het gemeentelijk beleidskader. In de bestemmingsplanregels is hiertoe een parkeerregeling opgenomen, waarin verwezen wordt naar het gemeentelijk beleid.

3.4 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het vanuit Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid voor Bentveld gewenst is om zorgvuldig om te gaan met de bestaande situatie. Het is vanuit de verschillende beleidskaders niet gewenst dat er grote ingrepen in Bentveld gaan plaatsvinden de komende jaren. Het behouden en versterken van de huidige karakter en de omgeving is één van de belangrijkste uitgangspunten voor het plangebied. Hier wordt verder op ingegaan in hoofdstuk 4 van deze toelichting.

Hoofdstuk 4 Doelstellingen en ambities

In de Nota van Uitgangspunten, vastgesteld door de gemeenteraad op 23 mei 2017 en opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting, zijn de uitgangspunten voor het bestemmingsplan benoemd. Het belangrijkste uitgangspunt voor Bentveld is om de bestaande ruimtelijke en stedenbouwkundige karakteristieken en kwaliteiten van het (woon)gebied te behouden en waar mogelijk te versterken in combinatie met het handhaven van het bestaande profiel van de openbare ruimte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0010.jpg"

Afbeelding 10: Teunisbloemlaan, karakteristieke bosrijke omgeving

4.1 Ruimtelijk

4.1.1 Terughoudendheid nieuwe woonbebouwing

Ten behoeve van het behouden van de stedenbouwkundige karakter van het gebied wordt zeer terughoudend omgegaan met het toevoegen van nieuwe woonbebouwing in het plangebied. Zo is het splitsen van bestaande woonkavels niet mogelijk gemaakt. Het splitsen van kavels zal leiden tot een grotere bebouwingsdichtheid en doet afbreuk aan de huidige villastructuur van Bentveld.

Nieuwe woonbebouwing is alleen mogelijk op die locaties waar in het vorige bestemmingsplan "Bentveld" ook planologische mogelijkheden aanwezig waren. Dit betreft een tweetal onbebouwde kavels aan de Wikkelaan en een tweetal onbebouwde kavels aan de Zuidlaan. Deze woningbouwmogelijkheden blijven in dit bestemmingsplan behouden.

Voor de meest noordelijke nieuw te realiseren woning aan de Zuidlaan zal het bouwvlak vergroot worden ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Dit omdat de huidige vorm van het bouwvlak incourant is en qua oppervlakte niet in verhouding staat tot de andere drie bouwvlakken. Naast dat het bouwvlak vergroot wordt, wordt deze ook iets noordelijker op het kavel gesitueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0011.jpg"

Afbeelding 11: de onbenutte bouwmogelijkheden aan de Wikkelaan

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0012.jpg"

Afbeelding 12: de onbenutte bouwmogelijkheden aan de Zuidlaan

4.1.2 Behoud van karakteristiek van duinvilla's

Aan de noordzijde van het plangebied, achter de Duinrooslaan rondom de Westerduinweg zijn zogenaamde duinvilla's gelegen. Deze percelen zijn ruim van opzet en het hoogteverschil is hier zichtbaar aanwezig. Hier is het bosrijke duinlandschap nog herkenbaar en wordt de ligging in het duinlandschap versterkt. Vanaf de Westerduinweg is er zicht op het open duingebied, gelegen buiten de plangrens van dit bestemmingsplan.

Om het hier aanwezige unieke karakter te behouden hebben de percelen van deze duinvilla's een bijzondere planologische bescherming gekregen. In het voorgaande bestemmingsplan waren deze villa's al op een specifieke wijze bestemd, dit is in dit bestemmingsplan geconsolideerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0013.jpg"

Afbeelding 13: aanwezigheid van reliëfrijke percelen aan de Westerduinweg

De duinvilla's hebben een aparte woonbestemming gekregen waarin zij een ruim bouwvlak krijgen waarbinnen alle bebouwing dient te worden gerealiseerd, zowel hoofdbebouwing als bijbehorende bouwwerken. De rest van het perceel wordt beschermd door een natuurbestemming waarbinnen niet gebouwd mag worden. Op deze wijze wordt het huidige reliëf- en bosrijke karakter van het gebied zoveel mogelijk behouden.

De woningen die gesitueerd zijn in de tweedelijns bebouwing achter de Bramenlaan en Duinrooslaan worden in dit bestemmingsplan ook bestemd als duinvilla's. Deze kavels zijn niet zichtbaar vanaf de openbare weg en hebben door de ligging een natuurlijke uitstraling. Om deze uitstraling zoveel mogelijk te behouden zijn deze woningen voorzien een groter bouwvlak waarbinnen alle bebouwing moet worden gerealiseerd en wordt het bouwvlak omringd met de bestemming "Natuur" waarbinnen geen bouwmogelijkheden zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0014.jpg"

Afbeelding 14: bestemming duinvilla's achter Duinrooslaan

4.1.3 Erfbebouwing

Ten aanzien van de mogelijkheden van erfbebouwing is aangesloten bij de toetsingscriteria voor het verlenen van afwijkingen van het bestemmingsplan die het college op 2 april 2013 heeft vastgesteld ten behoeve van opbouwen, bijbehorende bouwwerken, dakkapellen, het splitsen van grote woningen en aan huis verbonden beroepen en bedrijven. Conform het vigerende bestemmingsplan wordt er voor percelen met een oppervlak van 2000 m² en groter een uitzondering gemaakt ten aanzien van de maximale oppervlakte aan erfbebouwing.

Erfbebouwing mag in principe binnen en buiten het bouwvlak worden opgericht, voortuinen dienen vrij te blijven van bebouwing. Voor duinvilla's geldt een uitzonderingsregel ten aanzien van erfbebouwing. Alle bebouwing dient hier, inclusief de erfbebouwing, binnen het (ruime) bouwvlak te worden opgericht.

De volgende oppervlaktes zijn van toepassing:

  • De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel mag buiten het bouwvlak niet meer dan 35% van het erf bedragen, met een maximum van 50 m².
  • Voor bouwpercelen met een oppervlakte van 2000 m² en groter wordt een uitzondering gemaakt tot maximaal 100 m² aan erfbebouwing. Delen van het perceel die zijn bestemd voor natuur worden in dat geval niet meegerekend.

4.2 Functioneel

4.2.1 Wonen

Ten aanzien van de bestaande bebouwing staat behoud en zo mogelijk versterking van de woonfunctie en van de huidige kwaliteit van het wonen voorop. Uiteraard is er in het licht van veranderende behoeftepatronen ruimte voor kwaliteitsverbetering en aanpassing van woningen aan de eisen van de tijd.

Binnen de bestemming “Wonen” is daarom de regeling van “aan-huis-verbonden beroepen” opgenomen. Dit conform de gemeentelijke regeling die vastgelegd is in de 'toetsingscriteria voor het verlenen van afwijkingen van het bestemmingsplan ten behoeve van opbouwen, bijbehorende bouwwerken, dakkapellen, het splitsen van grote woningen en aan huis verbonden beroepen en bedrijven” zoals beschreven in paragraaf 3.3.3.

Bepaald is dat de goot- en bouwhoogte van de woningen respectievelijk 6 en 10 meter mag bedragen. De gemeente heeft door middel van de retrospectieve toets onder andere de aanwezige bebouwing op zeer zorgvuldige wijze in beeld gebracht. Op diverse plaatsen is er voor gekozen om strijdige situaties met het vorige bestemmingsplan en met de algemene regels van dit nieuwe bestemmingsplan niet specifiek aan te duiden of te bestemmen. Niet is uit te sluiten dat sinds de laatste vaststelling van het bestemmingsplan met een afwijkingsprocedure legaal bouwwerken tot stand zijn gekomen. Deze bouwwerken kunnen wat betreft de maatvoering afwijken van de thans in het bestemmingsplan opgenomen maximale goot- en bouwhoogte. Om te voorkomen dat deze legaal tot stand gekomen bouwwerken deels dan wel geheel worden wegbestemd, is in dit plan een regeling opgenomen waarmee alle legale bouwwerken alsnog positief worden bestemd, ongeacht de maatvoering in de regels en op de verbeelding. Dit wordt in de planregels de "bestaande maten-regeling" genoemd.

Bramenlaan 12

Voor de woning aan de Bramenlaan 12 wordt het bestaande bouwvlak in zuidelijke richting verschoven. Hiermee wordt de woning beter op het kavel gesitueerd. De afstand van het bouwvlak tot de noordelijke perceelsgrens zal 4,5 meter bedragen. De verplaatsing van het bouwvlak heeft geen nadelige gevolgen voor omliggende percelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0015.jpg"

Afbeelding 15: bouwvlak Bramenlaan 12

Wandelpaden

In het zuidelijke deel van het plangebied zijn tussen de woonbebouwing vier wandelpaden aanwezig. Het betreft het Dennenlaantje, de Wilgenlaan, het Vlierlaantje en het Berkenlaantje. Deze paden zijn momenteel in eigendom van de gemeente. Bij omwonenden is de wens aanwezig om gedeeltes van deze laantjes bij de woonpercelen te betrekken. Hiermee wordt het woongenot en de privacy van de aangrenzende woningen vergroot en de veiligheid van de woningen verbeterd. Wanneer deze gronden daadwerkelijk worden overgenomen door de bewoners van de aangrenzende woningen vervallen de onderhoudskosten van deze grondne voor de gemeente. In dit bestemmingsplan worden deze wandelpaden bestemd als "Wonen-1" en "Tuin" zodat wanneer er eventuele grondtransacties plaatsvinden deze gronden planologisch geschikt zijn voor het gebruik als tuin bij de aangrenzende woningen. Er worden ter plaatse geen bouwmogelijkheden toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0016.jpg"

Afbeelding 16: voetpaden aan Vlierlaantje en Berkenlaantje bestemd als "Wonen-1" en "Tuin"

4.2.2 Niet-woonfuncties

Naast wonen zijn er in het plangebied een aantal percelen met een andere bestemming aanwezig. Deze hebben zich met name geconcentreerd aan de Zandvoortselaan. Het betreft functies als een kantoor, een garagebedrijf en een praktijk voor fysiotherapie. De betreffende niet-woonfuncties worden in het bestemmingsplan positief bestemd, er worden geen uitbreidingsmogelijkheden geboden. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om deze niet-woonfuncties om te zetten in een woonfunctie. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is een dergelijke ontwikkeling gewenst.

Voor de percelen die bestemd worden als Gemengd wordt de woonfunctie rechtstreeks via de bestemmingsomschrijving toegestaan. Voor de bestemmingen Horeca en Bedrijf worden in de planregels wijzigingsregels opgenomen voor het wijzigen van de bestemming in een woonbestemming. Hier wordt in paragraaf 4.2.3 en 4.2.4 verder op ingegaan.

4.2.3 Horeca

De in het plangebied aanwezige horecavoorzieningen worden gehandhaafd en positief bestemd. Ter voorkoming van ontoelaatbare (milieu-)hinder wordt uitgesloten dat er horeca-activiteiten plaats kunnen vinden, welke (milieu-)hinder voor de omgeving kunnen veroorzaken.

Het horeca bedrijf op het perceel Zandvoortselaan 363 heeft een specifieke aanduiding gekregen voor het aldaar aanwezige met een luifel overdekt terras. Tevens is het op basis van het vigerende bestemmingsplan bestaande bouwvlak van vorm gewijzigd (niet vergroot) en is het bestemmingsvlak achter het perceel Zandvoortselaan 361 gewijzigd in de bestemming 'Horeca'. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wensen ten aanzien van de bedrijfsvoering op het perceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0017.jpg"

Afbeelding 17: bestemming percelen horeca (oranje) en bedrijf (paars) aan Zandvoortselaan

In het plan is een regeling getroffen voor het uitoefenen van beroepen aan huis. Dit kan onder voorwaarden worden toegestaan. Uitgangspunt hierbij is dat er geen hinder voor de omgeving mag plaatsvinden en dat het uiterlijk c.q. de uitstraling van de woning c.q. de woonomgeving niet mag worden aangetast.

Voor het pand aan de Zandvoortselaan 345-347 is ook een horecabestemming opgenomen. Eén en ander conform het voor dit perceel vigerende bestemmingsplan.

De horecabedrijven kunnen via een wijzigingsbevoegdheid gewijzigd worden in een woonbestemming.

4.2.4 Bedrijvigheid

Uitgangspunt is dat bedrijfsfuncties op hun huidige locatie moeten kunnen blijven functioneren. In het gebied is één garagebedrijf aan de Zandvoortselaan 365 gevestigd. Het bedrijf wordt in dit bestemmingsplan gehandhaafd. Gelet op de aard van het plangebied en de genoemde uitgangspunten worden er geen nieuwe bedrijven in het plangebied toegestaan. Het bestaande garagebedrijf kan niet uitgroeien naar een hogere milieucategorie, dat is ongewenst in een overwegende woonomgeving.

Ten aanzien van dit garagebedrijf is in de nota van uitgangspunten bepaald dat het perceel aan de voorzijde van het bedrijf gebruikt mag worden voor de uitstalling van auto's. Hiermee wordt het bestemmingsplan in overeenstemming gebracht met de bestaande situatie.

In de planregels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van deze bestemming naar een woonbestemming.

4.2.5 Natuur

De groene uitstraling van Bentveld is belangrijk en dient behouden te blijven. In dit bestemmingsplan is gekozen voor een bestemmingsregeling waarmee het bestaande groen, zowel particulier als openbaar, behouden blijft.

Tevens is er rekening gehouden met de ambitie van het naar binnen trekken van het duingebied. Dit door het behoud van het reliëfrijke karakter van de wijk.

Bebouwing binnen bestemming natuur

De duinvilla's hebben in het voorgaande bestemmingsplan "Bentveld" een (ruim) bouwvlak voor de woning en bijbehorende bouwwerken gekregen en daar buiten zijn de percelen bestemd als “Natuur”. In een aantal gevallen is de bestaande woning echter niet binnen het bouwvlak gelegen maar in de bestemming “Natuur”. Dit is een gevolg van de wijze van bestemmen in het vigerende bestemmingsplan.

Daar waar bouwvlakken in het vigerende bestemmingsplan anders zijn aangeduid is in het thans voorliggende bestemmingsplan opnieuw onderzocht of het bouwvlak kan worden aangewezen binnen 10 meter gemeten uit de erfgrens. De gebieden buiten het bouwvlak zijn bestemd als “Natuur”. Dit om het bosrijke landschap van het gebied te behouden. Hiermee is echter ook in een aantal gevallen de (toentertijd) bestaande hoofdbebouwing op het perceel buiten het bouwvlak gekomen. De bouwvlakken zijn nu zo op het perceel geprojecteerd dat alle bestaande bebouwing binnen het bouwvlak past.

4.2.6 Verkeer en parkeren

Voorafgaand aan het opstellen van dit bestemmingsplan is er een retrospectieve toets uitgevoerd voor het plangebied. Doel van deze retrospectieve toets was om inzicht te krijgen in de situaties in bouw en gebruik die binnen het plangebied bestaan welke niet in overeenstemming zijn met de vigerende bestemmingsplannen en verleende vrijstellingen. De retrospectieve toets is als bijlage toegevoegd (bijlage 2).

Uit de retrospectieve toets is gebleken dat er op een aantal percelen sprake is van strijdig gebruik van de (voor)tuin. Er worden auto's geparkeerd vóór de voorgevelrooilijn in de bestemming 'Tuin'. Dit is in strijd met het vigerende bestemmingsplan, want parkeren is alleen toegestaan achter (het denkbeeldige verlengde van) de voorgevel van de woning, of op een hiervóór gelegen oprit naar de op hetzelfde perceel aanwezige parkeergelegenheid achter (het denkbeeldige verlengde van) de voorgevel.

In artikel 12, lid 5 van het vigerende bestemmingsplan biedt het college van B&W een mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1 voor het parkeren op eigen erf voor de voorgevel van de woning of het denkbeeldig verlengde daarvan, indien:

  • voor de voorgevel of het denkbeeldig verlengde daarvan een tuin aanwezig is met een diepte van tenminste 6 meter;
  • niet op een andere wijze kan worden geparkeerd op eigen erf;
  • het pand geen rijksmonument of gemeentelijk monument is;
  • het veilig en doelmatig gebruik van de weg niet onevenredig wordt geschaad.

In dit nieuwe bestemmingsplan zal de regeling uit het vigerende bestemmingsplan “Bentveld” wordt overgenomen, parkeren op eigen erf blijft in beginsel alleen toegestaan op de percelen welke voldoen aan de 'Beleidsregels uitwegen' en daarmee aan de relevante bepalingen uit het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan wordt de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid geconsolideerd.

Omdat er in het kader van de reconstructie van de Zandvoortselaan in 2014 uitwegvergunningen zijn verleend aan de woningen aan de Zandvoortselaan wordt het parkeren voor (de voorgevel of het denkbeeldige verlengde daarvan) in deze gevallen toegestaan. Dit wordt op de planverbeelding apart aangeduid.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

5.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In de Omgevingswet, die naar verwachting in 2019 in werking treedt, staat de fysieke leefomgeving en de activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving centraal. De definitie van een 'fysieke leefomgeving' is heel breed en omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed.

In de Omgevingswet zijn als gevolgen voor de fysieke leefomgeving in ieder geval gevolgen aangemerkt die kunnen voortvloeien uit:

  • het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan,
  • het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
  • activiteiten waardoor emissies, hinder of risico's worden veroorzaakt,
  • het nalaten van activiteiten.

Voor de beschrijving van de in artikel 3.1.6 van het Bro bedoelde omgevingsaspecten in dit bestemmingsplan is vooruitlopend op de Omgevingswet onderscheid gemaakt naar de verschillende componenten van de fysieke leefomgeving.

5.2 Technische componenten

5.2.1 Bedrijvigheid
5.2.1.1 Wettelijk kader

Een goede ruimtelijke ontwikkeling streeft naar het bevorderen van een duurzame ruimtelijke kwaliteit in een dynamische samenleving. Het is helder dat duurzame ruimtelijke kwaliteit mede richting en inhoud geeft aan het criterium “een goede ruimtelijke ordening”. Een goede ruimtelijke ordening houdt ook in het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" (editie 2009), het zogenaamde 'groene boekje', een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het Groene Boekje geeft richtafstanden (zie tabel) die gemotiveerd kunnen worden toegepast bij ruimtelijke ordening.

De richtafstanden hangen samen met het omgevingstype. Het is mogelijk om door middel van maatregelen overlast te beperken en daardoor af te wijken van de afstanden. In dit geval zal aangetoond moeten worden welke maatregelen worden genomen om de overlast te beperken. Aan de hand hiervan kan dan gemotiveerd worden afgeweken van de standaard richtafstanden

Milieucategorie   Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied   Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het toetsen van het plan bestaat uit:

  • Het toetsen van de afstanden van de bestaande milieubelastende activiteiten aan de te bouwen milieugevoelige functies.
  • Het toetsen van de afstanden van bestaande milieugevoelige functies aan de te realiseren milieubelastende activiteiten.
5.2.1.2 Plangebied

Omgevingstype 'Gemengd gebied'

Langs de Zandvoortseweg is sprake van een omgevingstype 'gemengd' gebied. Dit in verband met de aanwezigheid van een doorgaande weg en de aanwezigheid van een aantal niet-woonfuncties naast woningen. De rest van het plangebied kan worden aangemerkt als een rustige woonwijk.

In het plangebied zijn in beperkte mate bedrijfsactiviteiten aanwezig. De bedrijfsactiviteiten die aanwezig zijn kunnen volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (uitgave 2009), onder categorie 1 of 2 worden gerangschikt. Bedrijven die zijn gecategoriseerd als 1 of 2 zijn, qua milieubelasting, in principe passend binnen een woonomgeving.

Bouw- en gebruiksmogelijkheden

Dit bestemmingsplan maakt bij de bestemming "Wonen" ook 'aan huis verbonden beroepen en bedrijven' mogelijk. Binnen deze categorie mogen maximaal milieucategorie 1 bedrijven, zoals bepaald in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering worden gevestigd. Hierdoor is met enige zekerheid te stellen dat deze geen afbreuk kunnen doen aan de woonfunctie en/ of geen overlast met zich meebrengen. Daarnaast is een aantal specifieke activiteiten expliciet uitgesloten en mogen deze alleen in een hoofdgebouwen en/of de daarbij behorende aan-, uit- en bijgebouw plaatsvinden. Samenvattend geldt dat de 'aan huis verbonden beroepen en bedrijven' een dusdanige beperkte ruimtelijke uitstraling hebben dat deze passend zijn in een woonomgeving.

In het bestemmingsplan is op 2 locaties sprake van onbenutte bouwmogelijkheden, zie paragraaf 4.1.1. De woningen aan de Wikkelaan liggen op ongeveer 250 meter van de bedrijven aan de Zandvoortselaan. Ter hoogte van de Zandvoortselaan zijn maximaal milieucategorie 2 bedrijven toegestaan. Geconcludeerd wordt dat aan de richtafstanden uit VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (10 meter) wordt voldaan.

De woningen aan de Zuidlaan liggen op ongeveer 350 meter van de bedrijven aan de Zandvoortselaan. Ter hoogte van de Zandvoortselaan zijn maximaal milieucategorie 2 bedrijven toegestaan. Geconcludeerd wordt dat aan de richtafstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (10 meter) wordt voldaan.

5.2.1.3 Conclusie

Op het gebied van bedrijvigheid kent dit bestemmingsplan geen knelpunten.

5.2.2 Duurzaam bouwen

Duurzaam bouwen is het op zodanige manier bouwen dat gedurende de gehele levensloop van het gebouw en de gebouwde omgeving zo min mogelijk (milieu-)belasting ontstaat. Aandacht voor duurzaamheid betekent expliciete aandacht voor een gezond, leefbaar binnenmilieu van de woningen, beperkingen van de negatieve gevolgen voor mens en milieu en beperkingen van de woonlasten op termijn (energierekening).

Gemeentelijk beleid voor duurzaam bouwen

Gemeente Zandvoort en de Omgevingsdienst IJmond hebben ter ondersteuning en invulling van deze beleidsdoelstellingen een lokaal beleid geformuleerd in "Kwaliteit en duurzaam bouwen" en in het milieubeleidsplan 2014-2018.

De GPR Gebouw score voor nieuwbouwplannen is minimaal een 8 voor de thema's Energie en Gezondheid en minimaal een 7,5 voor de thema's Milieu, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. De score wordt afgestemd op het woningtype. Het uitgangspunt is een rij/hoekwoning; voor vrijstaande woningen wordt de score 0,5 punt lager gesteld. Dit vooruitlopend op de verscherping van de wetgeving naar klimaatneutraal bouwen in 2020 (BENG - Bijna Energie Neutrale Gebouwen).

Landelijk en Europees beleid

In 2013 is het Energieakkoord van kracht geworden. De gemeenten onderschrijven de voorwaarden uit het Energieakkoord; aan energie energiebesparing en duurzame energie is een belangrijke rol toegekend; besparing van het energieverbruik met gemiddeld 1,5% per jaar, een toename van het aandeel hernieuwbare energieopwekking van 4,5% in 2013 naar 14% in 2020 en een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023. Om resultaten te boeken en om innovatie te stimuleren is de energieprestatie-coëfficiënt voor nieuwe woningen in het Bouwbesluit (wettelijk kader) in 2015 aangescherpt van 0,6 naar 0,4. Richting 2020 wordt toegewerkt naar "Bijna Energie Neutrale Gebouwen"(hierna BENG).

Het Europees beleid is erop gericht dat nieuwe gebouwen na 2020 geen of heel weinig energie gebruiken. De energie die nog nodig is moet in belangrijke mate afkomstig zijn uit hernieuwbare bronnen. Dit is vastgelegd in de herziene Europese richtlijn EPBD uit 2010.

Het Nationaal Plan voor het bevorderen van BENG in Nederland beschrijft het Nederlandse beleid om te komen tot BENG na eind 2018, respectievelijk 2020. In het Nationaal Plan staat wat onder (BENG) verstaan wordt.

Nieuwe ontwikkelingen

In de vorige eeuw was het gebruikelijk om elk huis en overig gebouw aan te sluiten op het elektriciteits- en gasnet. Sinds het stijgen van de gas- en elektriciteitsprijzen de afgelopen twee decennia en de bewustwording omtrent het klimaat, is men op zoek gegaan naar zuinigere en alternatieve technieken en vormen van energie. Met deze nieuwe technieken kan veel fossiele brandstof worden bespaard en kan de energierekening omlaag worden gebracht. Zie het rapport http://www.ce.nl/publicatie/op_weg_naar_een_klimaatneutrale_gebouwde_omgeving_2050/1638 

De nieuwe ontwikkelingen op dit gebied brengen ook meer keuzes met zich mee. Krijgen nieuwe gebouwen een traditionele aansluiting of worden ze aangesloten op een warmtenet? Zijn er wel mogelijkheden voor dit warmtenet of is enkel een elektriciteitsaansluiting toch een gunstigere optie? En met wat voor technieken kan ervoor gezorgd worden dat het rendement zo hoog mogelijk is en de kosten beheersbaar blijven? Het is vaak niet één partij die deze keuzes maakt, maar verschillende partijen die samen tot de beste oplossing moeten komen. Dit maakt het lastig om te kiezen voor alternatieve opties. In de studie is een groot aantal van deze alternatieve opties meegenomen (zie Hoofdstuk 4). Het gaat hierbij zowel om technieken die binnen de huidige structuur passen als technieken die een nieuwe structuur vereisen.

GPR Gebouw is een programma voor het omzetten van ontwerpgegevens van een gebouw naar prestaties op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid. GPR gebouw gaat over woonkwaliteit, de toekomstwaarde én de gebruikelijke thema's van duurzaam bouwen. Het is een hulpmiddel voor het maken van keuzes bij nieuwbouw en renovatie van woningen, scholen en andere gebouwen.
Om inzicht te krijgen in de duurzaamheid van nieuwbouwprojecten stimuleert de gemeente Zandvoort het gebruik van GPR Gebouw. GPR Gebouw is een relatief eenvoudig instrument waarmee prestaties worden uitgedrukt in rapportcijfers van 1 tot 10.
Keuzemodules geven aan hoe scores zijn te verhogen (tot maximaal een tien) voor de vijf verschillende onderdelen energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde.
Binnen het ontwerp (of de renovatie) is men vrij om binnen de verschillende modules voorzieningen naar keuze te realiseren, zolang deze keuzes leiden tot het gewenste ambitieniveau.
Per project wordt door de Omgevingsdienst IJmond (gratis) digitaal een sublicentie voor het programma GPR Gebouw verstrekt.  

5.3 Biotische componenten

5.3.1 Ecologie
5.3.1.1 Wettelijk kader

Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet.

Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen.

De Wet natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen).

Net als in de Flora- en faunawet is in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.

De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora- en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen.

De bij de Flora- en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden.

Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet natuurbescherming van belang:

  • Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet.
  • Actieve soortbescherming, artikel 1.12. Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend.

Er worden in de Wet natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden:

  • 1. Soorten van Vogelrichtlijn:

Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4.
Dit beleid verandert deels t.o.v. de. Ffwet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen.

  • 2. Soorten van Habitatrichtlijn:

Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9:

  • A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I.
    In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied.
  • B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II.
    Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen.
  • 3. Andere soorten:

Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan.

5.3.1.2 Plangebied

Het plangebied grenst aan de noord-, zuid- en westzijde aan het Natura 2000 gebied “Kennemerland-Zuid”. Dit is een uitgestrekt duingebied aan de zuidkant van het Noordzeekanaal. De overgang tussen de kalkrijke jonge duinen en ontkalkte oude duinen ligt ter hoogte van Zandvoort. Dit levert een soortenrijke en kenmerkende begroeiing op, met duinroosvegetaties in het open duin, duingraslanden, vochtige en droge duinvalleien, plasjes, goed ontwikkelde struwelen en diverse vormen van duinbossen. Vegetaties van vochtige en natte duinvalleien komen met name voor ten zuiden van Zandvoort, waarvan het Houtglob het best ontwikkelde kalkrijke, natte duinvallei is. Het areaal kalkrijk duingrasland is vooral rondom Zandvoort groot. Hier komen over voorbeelden van het zeedorpenlandschap voor. De oudere duinen van het zuidoostelijk gedeelte herbergen goed ontwikkeld kalkarm duingrasland. Ook zijn er in het zuidelijke puntje en ter hoogte van Zandvoort paraboolduincomplexen aanwezig. Het Kennemerstrand is de enige locatie langs de Hollandse vastelandsduinen waar een jonge strandvlakte met embryonale duinen en een uitgestrekte oppervlakte met kalkrijke duinvalleien aanwezig is. Aan de binnenduinrand zijn diverse landgoederen aanwezig. Hier zijn een aantal oude buitenplaatsen gelegen, die voor een aanzienlijk deel bebost zijn met naaldbos en loofbos, waaronder oude bossen met rijke stinzeflora. (www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase)

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0018.jpg"

Afbeelding 18: de ligging van het plangebied (binnen rode cirkel) grenzend aan het Natura 2000 gebied Kennemerland-Zuid (geel gekleurd)

Het duinengebied heeft een rijke flora en fauna en biedt plaats voor verschillende beschermde soorten. De landgoedbossen in de binnenduinrand bieden plaats aan meerdere vleermuiskolonies. Verder vormt het duingebied het leefgebied van vele andere zoogdiersoorten die wettelijk beschermd zijn. In het duingebied leeft verder de zandhagedis, een soort die sterk afhankelijk is van reliëfrijk, open zand. Deze landelijk bedreigde soort is in het plangebied algemeen te noemen. Alle amfibieën en reptielen worden beschermd door de Wet Natuurbescherming.

De vogelbevolking in het duinlandschap is mede door de gevarieerde landschapsstructuur zeer rijk, maar broedvogels in het open duin, zoals de Wulp en Tapuit, zijn schaars geworden. Er komen verschillende soorten voor die voorkomen op de landelijke rode lijst van bedreigde vogels. De broedvogeldichtheid (paren per ha) neemt toe in oostelijke richting, hetgeen vooral te maken heeft met de landinwaarts toenemende structuurrijkdom van de vegetatie. Zeer algemeen zijn struweelvogels als fitis, winterkoning, grasmus en heggenmus.

5.3.1.3 Conclusie

Het bestemmingsplan is conserverend van aard en laat geen grootschalige nieuwe activiteiten toe. Het plan is gericht op het handhaven van bestaand bebouwd gebied. Zoals beschreven in hoofdstuk 4 worden er geen nieuwe ontwikkelingen, anders dan dat al mogelijk was in het vigerende bestemmingsplan, opgenomen in het bestemmingsplan.

Ten behoeve van mogelijke toekomstige ontwikkelingen in de beschermde gebieden vinden afzonderlijke ruimtelijke procedures plaats waarbij rekening dient te worden gehouden met de mogelijke negatieve effecten op het naastgelegen beschermd natuurgebied.

5.4 Abiotische componenten

5.4.1 Bodem
5.4.1.1 Wettelijk kader

Het is verboden om onder andere nieuwe woningen, maar ook andere kwetsbare bestemmingen, te bouwen op verontreinigde grond. Om deze reden moeten bij een bouwplan (dus: bij een ruimtelijke ontwikkeling) altijd recente gegevens over de kwaliteit van de bodem bekend zijn. Een bodemonderzoek start met een verkennend onderzoek, dat bestaat uit een historisch onderzoek (conform de NEN 5725) en veldwerk (conform NEN 5740). De resultaten van dit onderzoek worden getoetst aan de Wet bodembescherming. Deze wet stelt dat de kwaliteit van de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik van de locatie of het gebied. Indien uit de resultaten van het verkennend onderzoek blijkt dat er geen belemmering bestaat voor het beoogde gebruik, kan een geschiktheidsverklaring worden afgegeven. Indien uit de resultaten blijkt dat er mogelijk een belemmering is wordt nader bodemonderzoek geadviseerd. In een nader bodemonderzoek wordt de omvang, herkomst en de spoedeisendheid van de verontreiniging bepaald. Een omgevingsvergunning wordt afgegeven als de bodem, eventueel na sanerende maatregelen, geschikt is voor het beoogde gebruik.

Rol Omgevingsdienst IJmond

Omgevingsdienst IJmond adviseert een bodemonderzoek uit te laten voeren voorafgaand aan het indienen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Omgevingsdienst IJmond toetst de resultaten van het bodemonderzoek en adviseert hierover aan de gemeente Zandvoort. Het bodemonderzoek moet in principe worden uitgevoerd door de initiatiefnemer van een bouwplan. Als de gemeente initiator is van een project of bouwplan kan de gemeente Omgevingsdienst IJmond opdracht geven het onderzoek te laten uitvoeren en begeleiden.

Bodemkwaliteitskaart/ Bodembeheerplan

Om bij ontwikkelingen grondverzet eenvoudiger te maken is in 2016 de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart Regio IJmond vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart, die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit is opgesteld, kan binnen de gemeenten van de Regio IJmond gebruikt worden als bewijsmiddel voor de milieu hygiënische kwaliteit van zowel een partij vrijkomende grond als voor de kwaliteit van de ontvangende bodem. In de nota bodembeheer wordt beschreven welke regels en procedures er gelden voor het binnen de gemeenten (opnieuw) toepassen van grond en baggerspecie als bodem, en het daarbij gebruik maken van onderliggende bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel.

5.4.1.2 Plangebied

Voor het plangebied zijn bij Omgevingsdienst IJmond historische gegevens beschikbaar over de kwaliteit van de bodem. Deze bodemgegevens zijn opgenomen in het Bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst IJmond. Binnen het plangebied zijn behalve enkele kleine lokale bodemverontreinigingen geen significante bodemverontreinigingen bekend die ontwikkelingen van het gebied in de weg kunnen staan. Verder bodemonderzoek is pas noodzakelijk als de voorgenomen ontwikkelingen daadwerkelijk hun beslag krijgen.

5.4.1.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

5.4.2 Archeologie
5.4.2.1 Wettelijk kader

Wet op de archeologische monumentenzorg

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe dat de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie

De provincie Noord-Holland hanteert het beleidsinstrument “Leidraad Landschap en Cultuurhistorie". Hierin heeft de provincie de archeologische waarden in beeld gebracht. De waardering zoals vastgelegd in de leidraad geldt als uitgangspunt van beleid.

5.4.2.2 Plangebied

De gemeente heeft in 2010 de beleidsadvieskaart archeologie vastgesteld. In Zandvoort worden 3 verschillende zones ten aanzien van archeologie onderscheiden.

Voor het plangebied van Bentveld gelden twee verschillende archeologische regimes. In groen gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde, hier is archeologisch onderzoek vereist bij plannen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm. En in oranje de hoge archeologische verwachtingswaarde waar archeologisch onderzoek is vereist bij plannen groter dan 50 m² en dieper dan 40 cm. De archeologische waarden zullen via de planregels worden beschermd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0019.jpg"

Afbeelding 19: uitsnede uit archeologische beleidskaart Zandvoort 2010

5.4.2.3 Conclusie

Op basis van de archeologische beleidskaart zijn er twee archeologische regimes voor het plangebied. Deze regimes worden doorvertaald in de planregels.

5.4.3 Cultuurhistorie
5.4.3.1 Wettelijk kader

Besluit ruimtelijke ordening

Op 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. In artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Bro is de verplichting voor het opnemen van een beschrijving over de wijze waarop met de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden opgenomen. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009.

Provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie

De provincie Noord-Holland hanteert het beleidsinstrument “Leidraad Landschap en Cultuurhistorie". Hierin heeft de provincie de cultuurhistorische waarden in beeld gebracht. De waardering zoals vastgelegd in de leidraad geldt als uitgangspunt van beleid.

Provinciale Milieuverordening

De provincie Noord-Holland heeft in de PMV regels opgenomen ter bescherming van de aardkundige monumenten. Het doel van het aardkundige monumentenbeleid van de provincie is de duurzame instandhouding van gebieden die extra bescherming behoeven vanwege hun waardevolle bodem en/ of waardevolle elementen die primair bepaald zijn door de bodem.

5.4.3.2 Plangebied

In de Nota Belvedère (1999) worden vanuit de cultuurhistorie de meest waardevolle gebieden van Nederland geselecteerd: de zogenaamde Belvedère gebieden. De nota is een aanwijzing en voorzet hoe gemeenten met de inrichting van hun grondgebied moeten omgaan wat betreft cultuurhistorie. Het plangebied maakt onderdeel uit van het belvedèregebied Kennemerland. Kenmerkend voor dit belvedèregebied zijn de landschappelijk fraaie landgoederen en oude villawijken die op het oude duingebied zijn gebouwd. Deze waarden dienen beschermd te worden en nieuwe ontwikkelingen dienen ingepast te worden met aandacht voor de cultuurhistorische waarden.

Eén van de belangrijkste doelstellingen van dit bestemmingsplan is het behoud van deze karakteristieke waarden van Bentveld. Er zal terughoudend gereageerd worden op nieuwe woningen en ook nieuwbouw door splitsing van kavels wordt vermeden om verdichting tegen te gaan.

In het gebied zijn vier gemeentelijke monumenten aanwezig, zie voor een beschrijving hiervan paragraaf 2.1.3. Deze monumenten zijn aangeduid op de verbeelding en in de planregels voorzien van een beschermende regeling.

De landgoederen en villagebieden op en langs de binnenduinrand zijn aangemerkt als cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Deze worden niet voorzien van een specifieke regeling, maar worden afdoende beschermd door de bestemmingslegging en de bijbehorende planregels.

In paragraaf 3.2.3 is reeds ingegaan op de bescherming van het aan het plangebied grenzende Aardkundige Monument. Dit bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die het Aardkundige Monument kunnen aantasten.

5.4.4 Water
5.4.4.1 Wettelijk kader

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Verordening Ruimte
  • Provinciale Structuurvisie
  • Waterschapsbeleid

Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan 'Waardevol Water' (WBP5) vastgesteld. In het WBP5 wordt richting gegeven aan het waterbeheer in de periode 2016 -2021. Daarmee realiseert Rijnland de ambities uit het coalitieakkoord, zodat het gebied nu en in de toekomst goed beschermd wordt tegen overstromingen en wateroverlast, er een goede waterkwaliteit ontstaat, het afvalwater op duurzame wijze wordt gezuiverd en de grondstoffen worden hergebruikt. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.

Keur en uitvoeringsregels

Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden.

Sinds 1 juli 2015 heeft Rijnland een nieuwe Keur. Er gelden minder regels voor burgers, bedrijven en Rijnland. Het aantal vergunningen en meldingen is ongeveer gehalveerd. Zo geeft Rijnland verantwoordelijkheid, flexibiliteit en vertrouwen waar dat kan, maar stellen we regels waar dat moet.

Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden die bewoners en bedrijven willen uitvoeren bij water en dijken. De Uitvoeringsregels kan een zorgplicht, een Algemene regel en een Beleidsregel bevatten.

  • De zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico.
  • In de Algemene regel staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico.
  • In de Beleidsregel staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico. Dan verlenen zij een watervergunning.

De Keur en uitvoeringsregels zijn te vinden op: https://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels.

5.4.4.2 Plangebied

Bodem en grondwater

Het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied van de provincie Noord-Holland. De provincie Noord-Holland kent drie zones ten behoeve van de bescherming van drinkwater; waterwingebied (60-dagen zone), grondwaterbeschermingsgebied I (25 jaar zone) en grondwaterbeschermingsgebied II (110/ 200 jaar zone). Binnen grondwaterbeschermingsgebieden gelden diverse gebruiksbeperkingen om het drinkwaterbelang te beschermen, deze zijn beschreven in de provinciale milieuverordening. Het plangebied is grotendeels aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied I en voor ene klein deel als grondwaterbeschermingsgebied II. Zie paragraaf 3.2.3.

In het nieuwe bestemmingsplan worden geen activiteiten opgenomen die van invloed zijn op de verontreiniging van het grondwater.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.

Veiligheid en waterkeringen

De duinen behoren tot de primaire waterkeringen die ons land beschermen tegen hoogwater vanuit de zee. De Noordzeekust is helemaal op orde, de basiskustlijn wordt door het Rijk met zandsuppleties op orde gehouden. In 2017 start de vierde landelijke toetsronde van primaire waterkeringen.

Het plangebied van Bentveld ligt buiten de primaire waterkering, daardoor is het niet nodig om via het bestemmingsplan beschermende maatregelen te nemen tot behoud van de waterkerende functie

Riolering en afkoppelen

Overeenkomstig met het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en dedoelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat:

  • het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
  • verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
  • afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;
  • huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd;
  • ander afvalwater dan hiervoor bedoeld:
    • 1. zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt;
    • 2. lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht.

De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan.

Het bestemmingsplan is overwegend conserverend van aard en biedt geen directe mogelijkheden om de doelstellingen met betrekking tot riolering en afkoppelen te realiseren. Bij mogelijke nieuwe ontwikkelingen wordt een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd.

Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater

Voor de behandeling van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen. Door bijvoorbeeld:

  • duurzaam bouwen;
  • het toepassen van berm- of bodempassage;
  • toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;
  • het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand-slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;
  • adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);
  • het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;
  • de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;
  • het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of – als laatste keus – aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe'-aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

Het bestemmingsplan conserverend van aard. Bij eventueel onvoorziene nieuwe ontwikkelingen zal sprake zijn van een gescheiden rioleringsstelsel.

5.4.4.3 Conclusie

Het bestemmingsplan heeft vanwege het conserverende karakter geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

5.4.5 Geluid
5.4.5.1 Wettelijk kader

Actieplan Geluid

In 2013 is het Actieplan geluid van de gemeente Zandvoort vastgesteld. In dit actieplan is aangegeven hoe de gemeente de geluidshinder van spoor- en wegverkeerslawaai in de periode 2013-2018 wil beperken. Het Actieplan vloeit voort uit de Europese Richtlijn 2002/49/EG die gericht is op de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai, daarmee wordt bedoeld het geluid van (spoor)wegen, industrie en luchtvaart. Nederland heeft de richtlijn voor wat betreft het Actieplan geïmplementeerd in artikel 11.11 Wet milieubeheer.

Voor Zandvoort zijn in het actieplan geluidsbelastingkaarten opgesteld. Deze zijn in het najaar van 2012 vastgesteld en gepubliceerd.

5.4.5.2 Plangebied

Wegverkeerslawaai

Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen in principe een geluidszone. De breedte van de zone is afhankelijk van de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied en van het aantal rijstroken. Wegen binnen een woonerf of wegen waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km per uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de optredende geluidbelasting.

In de Wet geluidhinder wordt getoetst aan voorkeursgrenswaarden en ontheffingswaarden, deze bedragen respectievelijk 48 dB en 63 dB. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, kunnen de gemeenten zelf een hogere waarde vaststellen.

De Zandvoortselaan (N201) is de enige zoneplichtige weg in het bestemmingsplangebied. De Zandvoortselaan bestaat deels uit één en deels twee rijstroken, zodat de zonebreedte 200 meter bedraagt.

Het bestemmingsplan voorziet niet in directe bebouwing van (planologisch) nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze zonebreedte. Toetsing aan de Wet geluidhinder is daarom achterwege gelaten.

Voor de overige wegen binnen het plangebied geldt een 30 km/uur zone. Deze wegen zijn niet zoneplichtig en er hoeft dus geen rekening te worden gehouden met (geluidsbeperkende) regelingen en maatregelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0020.jpg"

Afbeelding 20: geluidsbelasting in Zandvoort van het wegverkeer, in dB Lden (peiljaar 2011)

Industrielawaai

In het plangebied zijn geen bedrijventerreinen gelegen. Wel zijn er enkele afzonderlijke bedrijven gevestigd. Al deze bedrijven vallen echter in een lage milieucategorie en hebben een lage richtafstand voor geluid.

Er is in dit geval sprake van een bestemmingsplan waarin geen grote woningbouwontwikkelingen worden toegestaan. Nadere toetsing aan de Wet geluidhinder kan achterwege worden gelaten.

Spoorweglawaai

In het plangebied liggen geen spoorwegen. Het aspect spoorweglawaai is niet aan de orde.

5.4.6 Luchtkwaliteit
5.4.6.1 Wettelijk kader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergeven.

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde   Geldig  
Stikstofdioxide (NO2)   Jaargemiddelde concentratie   60 µg/m³  
 
2010 tot en met 2014  
  Jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³     Vanaf 2015  
Fijn stof (PM10)   Jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³     Vanaf 11 juni 2011  
  24-uurgemiddelde concentratie   Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³     Vanaf 11 juni 2011  

  • 1. De toetsing van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 is niet relevant aangezien er pas meer overschrijdingsuren dan het toegestane aantal van 18 per jaar zullen optreden als de jaargemiddelde concentratie NO2 de waarde van 82 µg/m³ overschrijdt. Dit is nergens in Nederland het geval.
  • 2. Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wm behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
    Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan), uitoefenen indien:
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a);
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1);
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);
  • het voorgenomen besluit is genoemd in of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

NIBM

In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg.
5.4.6.2 Plangebied

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zeer fijnstof) in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. De Atlas Leefomgeving geeft de concentratie weer van concentraties fijn stof (PM10) en Stikstofdioxide (NO2) in het jaar 2015. In afbeelding 21 is een uitsnede uit deze atlas opgenomen voor de concentratie fijn stof (PM10). Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden. Dit geldt ook voor de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 (afbeelding 19) en PM2,5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0021.jpg"

Afbeelding 21: concentratie fijn stof (PM10) over het jaar 2015

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0022.jpg"

Afbeelding 22: concentratie stikstofdioxide (NO2) over het jaar 2015

Het bestemmingsplan is consoliderend van aard, uitsluitend kleinschalige ontwikkelingen zijn binnen de kaders van het bestemmingsplan mogelijk. Er is dan ook sprake van een plan/project dat valt binnen de categorie “Niet in betekenende mate”. Kortom, het bestemmingsplan levert geen significante bijdrage aan de luchtkwaliteit en nader onderzoek naar dit aspect is niet noodzakelijk.

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

5.4.7 Externe veiligheid
5.4.7.1 Wettelijk kader

Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar aspecten die een gevaarrisico opleveren voor hun omgeving, namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.

Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BevI, 2004), het beleid met betrekking tot buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BevB, 2011) en het beleid voor transportmodaliteiten staat beschreven in het besluit externe veiligheid transportroutes (BevT, 2015).

In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Plaatsgebonden risico

Het PR is de kans per jaar dat een fictief persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 /jaar contour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd/gerealiseerd worden. Het PR wordt weergegeven als risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas.

Groepsrisico

Het GR is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de fN- curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.

Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1 % letaliteitsgrens, de afstand waarop nog 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

Risicorelevante inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Door ruimtelijke ontwikkelingen langs wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, maar ook door een toename van het vervoer, neemt de spanning tussen de belangen van ruimtelijke ontwikkeling, vervoer van gevaarlijke stoffen toe.

Het BEVB stelt een grens aan de groei van de risico's en garandeert hiermee een basisbeschermings-niveau aan personen die wonen, werken of recreëren in de omgeving van die routes. Hiervoor is aangesloten bij de waarde en systematiek voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar (PR) uit het BEVI.

In de toelichting van een bestemmingsplan moet het bevoegd gezag inzicht geven in de afweging die bij de voorbereiding van het besluit is gemaakt met betrekking tot een aantal onderwerpen die verband houden met externe veiligheid. Artikel 3.37 van de Wet ruimtelijke ordening biedt hiervoor de grondslag. Deze verantwoording heeft in betrekking op de mogelijkheden voor rampbestrijding en hulpverlening en de zelfredzaamheid van de bevolking in het gebied dat door een ongeval op een transportroute kan worden getroffen. Daarnaast moet het groepsrisico worden verantwoord. De waarde voor het groepsrisico heeft geen wettelijke status in de vorm van een grens- of richtwaarde gekregen, maar een oriënterende waarde.

5.4.7.2 Plangebied

Er zijn in en nabij het plangebied geen bedrijven aanwezig waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd.

Buisleidingen

Uit de risicokaart (afbeelding 18) blijkt dat er in het plangebied een transportleiding voor aardgas aanwezig is. Het betreft de leiding W-532-02, gelegen onder het fietspad (oude trambaan). De diameter van de leiding is (6 inch) en de druk is 40 bar.

Plaatsgebonden risico

Deze ondergrondse buisleiding heeft geen 10-6/jaar contour waarmee rekening moet worden gehouden bij het opstellen van het bestemmingsplan

Groepsrisico

De W-532-02 heeft een 100% letaliteitszone van 40 meter en een 1% letaliteitszone van 70 meter (invloedsgebied).

Dit betekent dat in principe binnen een zone van 40 meter geen nieuwe bijzonder kwetsbare objecten geprojecteerd/gerealiseerd mogen worden. Dit zijn objecten die vanwege hun aard meer bescherming nodig hebben dan kwetsbare objecten. Het zijn objecten waarin zich doorgaans personen bevinden die minder dan gemiddeld zelfredzaam zijn. Denk hierbij aan geestelijk en lichamelijk gehandicapten, zieken, ouderen, kinderen in een basisschool en gevangenen.

Binnen de zone van 70 meter moet het groepsrisico worden verantwoord, tenzij het groepsrisico lager is dan 10% van de oriënterende waarde of de toename van het groepsrisico minder is dan 10%, waarbij de oriënterende waarde niet wordt overschreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0473.BPBentveld2017-VO01_0023.jpg"

Afbeelding 23: uitsnede risicokaart plangebied

In dit bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen opgenomen die leiden tot een noemenswaardige toename van de personendichtheid binnen het invloedsgebied van de hogedrukaardgasleidingen. Er is in dit bestemmingsplan geen sprake van een toename van het groepsrisico. GasUnie heeft eind 2012 de hoogte van het groepsrisico van de W-530-02 bepaald op 0,362 * oriënterende waarde.

De gasleiding is middels de dubbelbestemming "Leiding - Gas" (voor leiding W-532-02 met een maximale werkdruk van 40 bar) van een beschermende regeling voorzien in dit bestemmingsplan.

Transportroute

Het gemeentebestuur van Zandvoort heeft geen route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgesteld. Dit betekent dat als het nodig is om met gevaarlijke stoffen door de gemeente te rijden, de algemene regel 'zoveel als mogelijk de bebouwde kom mijden' gevolgd dient te worden.

In Zandvoort zijn een aantal bovengrondse propaantanks die bevoorraad dienen te worden. Daarbij wordt aan het einde van het jaar in Zandvoort vuurwerk verkocht dat van elders wordt aangevoerd. Door het ontbreken van een vastgestelde route zijn de vervoerders vrij te kiezen voor of de Zeeweg (N200, Bloemendaal) of de Zandvoortselaan (N201). In beide gevallen geldt dat de frequentie over een jaar genomen van het vervoer van gevaarlijke stoffen zeer laag is.

Plaatsgebonden risico

De Zandvoortselaan heeft geen 10-6/jaar PR-contour.

Groepsrisico

Het groepsrisico is lager dan 0,1 * oriënterende waarde (vuistregels HART).

5.4.7.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Planbeschrijving

6.1 Het juridische systeem

In de voorgaande hoofdstukken zijn de in het plangebied voorkomende functies, de (eventuele) ontwikkelingen daarbinnen én de uitgangspunten ten aanzien daarvan aan de orde gesteld. Het in de voorgaande hoofdstukken beschreven beleid, krijgt zijn juridische vertaling in bestemmingen.

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden wordt toegekend. Het wordt de grondgebruiker toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen (toelatingsplanologie). Een afgeleide van de gebruiksregels van het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning) en regels voor het verrichten van werken (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden).

Het bestemmingsplan regelt derhalve:

  • het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);
  • regels voor: het bebouwen van de gronden en het aanleggen van werken.

Het bestemmingsplan dient flexibel en doelmatig te zijn en dient rechtszekerheid te bieden omtrent de ruimte voor verandering. Daar staat tegenover dat het plan de nodige bescherming moet bieden tegen ontwikkelingen die schadelijk zijn voor anderen. Bescherming tegen een zodanige ontwikkeling wordt samengevat in de term rechtsbescherming.

6.2 Digitaal bestemmingsplan

Het bestemmingsplan is opgezet als een digitaal raadpleegbaar plan. Deze digitale versie is bedoeld om de burger 'online' informatie te verschaffen omtrent het bestemmingsplan via het landelijke portaal www.ruimtelijkeplannen.nl. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties.

In het kader van de nieuwe wet- en regelgeving wordt het plan technisch als een digitaal raadpleegbare versie uitgevoerd. Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

6.3 De bestemmingsregeling

De planregels bestaan uit vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels (hoofdstuk 1);
  • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2);
  • Algemene regels (hoofdstuk 3);
  • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4).

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel is een aantal begrippen verklaard dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Artikel 2 Wijze van meten

In het artikel "Wijze van meten” zijn regels opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf

Deze bestemming is gekozen voor het autobedrijf aan de Zandvoortselaan 365. Er zijn alleen bedrijven mogelijk in milieucategorie 1 of 2 met uitzondering van geluidszoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven. Voor deze bestemming wordt een wijzigingsregeling opgenomen dat de bestemming van het perceel na beëindiging van de functie gewijzigd kan worden in de bestemming Wonen met bijbehorende regels.

Artikel 4 Gemengd

Op verschillende locaties langs de Zandvoortselaan is de bestemming 'Gemengd' van toepassing. Binnen deze bestemming zijn diverse functies toegestaan zoals kantoren, bedrijvigheid, dienstverlening of detailhandel tot maximaal bedrijfscategorie 1. Wonen wordt rechtstreeks binnen deze bestemming toegestaan.

Artikel 5 Groen

Deze bestemming is opgenomen voor de belangrijkste groenstructuren in het plangebied (met uitzondering van het duingebied, dat de bestemming 'Natuur' heeft gekregen). Binnen deze bestemming zijn beperkte bouwmogelijkheden opgenomen. Binnen de bestemming zijn voet- en fietspaden, inritten, water en straatmeubilair toegestaan.

Artikel 6 Horeca

In het plangebied zijn 2 horecagelegenheden aanwezig. Aan de Zandvoortselaan 363 en Zandvoortselaan 345-347. Deze worden beide bestemd als “Horeca”. Voor het perceel Zandvoortselaan 345-347 worden de mogelijkheden overgenomen uit het bestemmingsplan “Zandvoortselaan 345-347”. Hierin is bepaald dat naast een restaurant ook een hotel mogelijk is op het perceel, tevens is een ondergrondse parkeergarage toegestaan. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming Horeca te wijzigingen in de bestemming Wonen.

Artikel 7 Maatschappelijk

Deze bestemming wordt toegepast op de gronden van het woonzorgcentrum A.G. Bodaan aan de Bramenlaan. Het betreft een woonzorgcentrum met daaromheen 52 aanleunwoningen. De bebouwing op het perceel wordt binnen een bouwvlak opgenomen. Een ondergrondse parkeergarage is hier toegestaan.

Artikel 8 Natuur

Deze bestemming komt voor in het noordelijk deel van het plangebied, in de omgeving van de Westerduinweg en aan de westzijde van het plangebied, aansluitend op de tweedelijnsbebouwing aan de Duinrooslaan. Gronden met de bestemming “Natuur” hebben zeer beperkte bouw- en gebruiksmogelijkheden. De gronden zijn bestemd ten behoeve van het behoud van de bijzondere landschappelijke en natuurwaarden van het duingebied.

Ter bescherming van deze bijzondere waarden zal in de bestemming een verplichting worden opgenomen tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten

Artikel 9 Sport

In het plangebied zijn een tweetal locaties aanwezig die als "Sport" bestemd zullen worden. Dit zijn de manege aan de Zuidlaan/ Duinrooslaan en de tennisbanen gelegen tussen de woonbebouwing achter de Duindoornlaan. Voor de manege zal een ruim bouwvlak worden opgenomen waarbinnen de bestaande bebouwing gesitueerd is. Dit bouwvlak mag conform het vigerende bestemmingsplan voor 70% bebouwd worden. De tennisbanen zelf mogen niet overkapt worden. De bijbehorende bebouwing ten behoeve van onder andere kleedruimte, zijn door middel van een bouwvlak bestemd.

Artikel 10 Tuin

De bestemming 'Tuin' is gelegd op de delen van de percelen die als voor- of zijtuin (of waardevol groen binnenterrein) zijn aan te merken en waar het vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet gewenst wordt geacht erfbebouwing te situeren.

De bestemmingsgrens ligt voor het merendeel tegen de voorgevel en in hoeksituaties tegen de zijgevel van het hoofdgebouw. De bestemming kent een regeling voor het plaatsen van erkers aan de voor- en zijkant van een woning.

Onoverdekt parkeren op eigen erf vóór de voorgevelrooilijn of het denkbeeldige verlengde daarvan is niet toegestaan, tenzij het parkeren betreft op een vóór de voorgevelrooilijn gelegen oprit naar de op hetzelfde perceel achter de voorgevelrooilijn aanwezige parkeergelegenheid. Deze specifieke gebruiksregels geldt niet voor de percelen aan de Zandvoortselaan waar in 2014 vergunning is verleend voor het parkeren in de voortuin, hiervoor is een aanduiding opgenomen op de planverbeelding.

Artikel 11 Verkeer

Onder deze bestemming vallen de straten, paden, pleintjes en parkeerhavens en het daarvan deel uitmakende (kleinschalige) openbaar groen.

Ook speelvoorzieningen geplaatst in de openbare ruimte, worden tot deze bestemming gerekend.

De bestemming is van toepassing op de openbare ruimte die slechts een verkeers- en verblijfsfunctie voor de directe omgeving heeft. Voor herinrichtingsmaatregelen en maatregelen ter verbetering van de verkeersveiligheid (bijvoorbeeld inrichting als 30 km/h-zone), biedt deze bestemming voldoende ruimte.

Op verschillende plaatsen komt het voor dat de gronden met de bestemming 'Verkeer' mede voor functies uit aangrenzende bestemmingen wordt gebruikt. Denk aan reclameborden en delen van gebouwen (denk aan erkers) die over de bestemming 'Verkeer' hangen. Deze gebruiksvormen zijn ook in dit plan toegestaan.

Artikel 12 Wonen - 1

De vrijstaande, twee-onder-een-kap- en aaneengesloten woningen (grondgebonden) vallen onder bestemming 'Wonen - 1' met respectievelijk de aanduidingen 'vrij', 'twee-aaneen' en 'aaneengebouwd'. Binnen de bestemming zijn aan-huis-verbonden beroepen mogelijk; de pensions, detailhandelsbedrijven en dienstverlenende bedrijven zijn geregeld via een aanduiding.

Via een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om een aanduiding van het bestemmingsvlak te verwijderen.

Het bouwvlak mag tot 100% worden bebouwd, waarbij maximum goot- en bouwhoogte zijn vastgelegd op ruimtelijke verbeelding van het plan. Hierbij wordt in eerste instantie uitgegaan van een kap, maar een plat dak is ook mogelijk, zij het dat in dat geval de goothoogte de maximale bouwhoogte wordt.

Het gezamenlijke oppervlak aan bijgebouwen, aan- en uitbouwen mag buiten het bouwvlak niet meer dan 35% van het erf beslaan met een maximum tot 50 m². Hierbij wordt uitgegaan van één bouwlaag met eventueel een dak.

In afwijking hiervan mag voor bouwpercelen groter dan 2.000 m2 het gezamenlijk grondoppervlak van bijgebouwen, aan- en uitbouwen, gelegen buiten het bouwvlak, maximaal 100 m2 bedragen.

Binnen de bestemming zijn specifieke gebruiksregels opgenomen voor aan-huis-verbonden beroepen en logiesverstrekking.

Artikel 13 Wonen - 2

Gestapelde woningen en appartementencomplexen zijn onder de bestemming 'Wonen - 2' gebracht. Ook binnen deze bestemming zijn aan-huis-verbonden beroepen mogelijk. Daarnaast zijn de locaties waar sprake is van detailhandel, dienstverlening of maatschappelijke voorzieningen, eveneens met een aanduiding geregeld.

De bebouwingsmogelijkheden zijn vergelijkbaar met de bestemming Wonen-1, zij het dat bijvoorbeeld in het geval van appartementencomplexen doorgaans geen of weinig ruimte is voor bijgebouwen, aan- en uitbouwen.

Artikel 14 Wonen - Duingebied

De woningen aan de Westerduinweg en achter de Duinrooslaan worden getypeert als vrijstaande duinvilla's in het duingebied. Deze woningen worden op aparte wijze bestemd. De woningen zelf behoeven geen beschermde status, maar het bouwperceel er omheen wel. Dit vanwege het reliëf en de ligging tegen het beschermde natuurgebied aan.

Om de woningen wordt een ruim bouwvlak gelegd waarbinnen alle bebouwing dient te worden gerealiseerd. Deze bouwvlakken mogen voor 40% bebouwd worden. de bouwvlakken zijn zo gelegd dat de bestaande bebouwing op het perceel allemaal binnen het bouwvlak gelegen is. Voor het overige zijn de bebouwingsmogelijkheden vergelijkbaar met de bestemming “Wonen-1”.

Artikel 15 Leiding - Gas

In het plangebied bevinden zich een gastransportleiding. Om graafschade aan deze leiding te voorkomen, zijn de zakelijke rechtstroken bij deze leiding voorzien van een beschermende regeling voorzien in dit bestemmingsplan. De dubbelbestemming is ingetekend over een breedte van 8 meter (4 meter ter weerszijde van de hartlijn). In de dubbelbestemming geldt een verplichting tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten.

Artikel 16 Leiding - Water

In het plangebied bevinden zich een watertransportleiding. Om graafschade aan deze leiding te voorkomen, zijn de zakelijke rechtstroken bij deze leiding voorzien van een beschermende regeling voorzien in dit bestemmingsplan. De dubbelbestemming is ingetekend over een breedte van 10 meter (5 meter ter weerszijde van de hartlijn). In de dubbelbestemming geldt een verplichting tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten.

Artikel 17 Waarde - Archeologie 1

Het plangebied is in verband met de mogelijke waarden op het vlak van archeologie extra beschermd. De regeling is dusdanig dat, wanneer meer dan 50 m² wordt bebouwd, een archeologisch onderzoek nodig is. Daarnaast is vanuit diezelfde optiek een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden op het vlak van kabels en leidingen of wanneer voor meer dan 50 m² en dieper dan 0,4 m de grond wordt bewerkt. Ook voor diepwortelende bomen en beplanting geldt dit omgevingsvergunningvereiste.

Artikel 18 Waarde - Archeologie 2

Het plangebied is in verband met de mogelijke waarden op het vlak van archeologie extra beschermd. De regeling is dusdanig dat, wanneer meer dan 500 m² wordt bebouwd, een archeologisch onderzoek nodig is. Daarnaast is vanuit diezelfde optiek een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden op het vlak van kabels en leidingen of wanneer voor meer dan 500 m² en dieper dan 0,4 m de grond wordt bewerkt. Ook voor diepwortelende bomen en beplanting geldt dit omgevingsvergunningvereiste.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 19 Anti-dubbeltelregel

In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.

Artikel 20 Algemene bouwregels

In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden.

Artikel 21 Algemene gebruiksregels

In de algemene gebruiksregels is aangegeven welke vormen van gebruik in elk geval vallen onder de algemene verbodsbepaling op 'strijdig gebruik'. In beginsel is een seksinrichting 'strijdig gebruik', maar hiervan kan eventueel worden afgeweken. Ook is hier het afwijken ten behoeve van aan-huis-gebonden bedrijf opgenomen.

Artikel 22 Algemene afwijkingsregels

Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van de bouw van schakelkastjes (nutsgebouwtjes) in het openbare gebied.

Artikel 23 Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid en een aantal specifieke wijzigingsregels opgenomen.

Artikel 24 Algemene procedureregels

Dit artikel regelt de procedure die burgemeester en wethouders dienen te volgen indien toepassing wordt gegeven aan de in dit plan opgenomen afwijkings-, nadere eisen- of wijzigingsregels.

Artikel 25 Overige regels

In dit artikel is een algemene bepaling opgenomen met betrekking tot parkeren.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 26 Overgangsrecht

Het overgangsrecht is conform de regeling in het Bro opgenomen. Voor twee situaties, die zowel in strijd zijn met het vorige bestemmingsplan als dit nieuwe bestemmingsplan is een persoonsgebonden overgangsrecht opgenomen voor afwijkend gebruik. Dit betekent dat uitsluitend de huidige gebruikers de strijdige situatie mogen voortzetten.

Artikel 27 Slotregel

In de slotregel is de officiële naam van het bestemmingsplan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Grondexploitatie

Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening, beschikken de gemeenten over meer mogelijkheden voor kostenverhaal. Bovendien hebben zij meer sturingsmogelijkheden, doordat zij in het geval van grondexploitatie door derden, diverse eisen en regels kunnen stellen. Dit kan gebeuren door middel van het privaatrechtelijke spoor (bijvoorbeeld een anterieure overeenkomst) dan wel door middel van een plan als bedoeld in artikel 6.12 Wro (exploitatieplan). Een combinatie van beiden is ook mogelijk.

Met een anterieure overeenkomst maakt de gemeente met een initiatiefnemer vooraf afspraken. Die afspraken gaan over de verdeling van kosten van het bouwvoornemen. Een exploitatieplan is een plan dat een wettelijke grondslag bied om kosten te verhalen als er geen overeenkomst kan worden gesloten.

Het bestemmingsplan Bentveld is een actualisatie van de bestaande bestemmingsplannen. Er worden in het plan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarvoor een exploitatieplan of anterieure overeenkomst nodig is.

7.2 Economische uitvoerbaarheid

In het bestemmingsplan worden geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Van kostenverhaal is geen sprake. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een actualisatie van bestaand beleid, toelichting en regels. Het plan is economisch uitvoerbaar.

7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.3.1 Handhaving

Een belangrijk onderdeel van de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan is de mogelijkheid van de daadwerkelijke handhaving van de regels. Voor de handhaafbaarheid van regelgeving in het bestemmingsplan is een duidelijke formulering van de planregels nodig, vooral om interpretatieproblemen te voorkomen. Ook moet duidelijk zijn hoe de regels worden gehanteerd.

Hierdoor worden interpretatieproblemen voorkomen. Bovendien bevat de toelichting een heldere beschrijving van het plan en van de planregels.

Gemeente, bouwbedrijven en bewoners hebben in dit kader ieder hun eigen verantwoordelijkheid. Zo heeft de gemeente naast de toezichthoudende taak eveneens de taak om alle betrokken partijen van de juiste bestemmingsplaninformatie te voorzien en om een ieder aan te sporen het bestemmingsplan op een juiste manier uit te voeren. Bouwbedrijven dienen de gemaakte afspraken na te komen en ook de bewoners onderling dienen zich aan de spelregels te houden.

Om de geconstateerde strijdigheden met het vigerende bestemmingsplan in beeld te brengen is een retrospectieve toets uitgevoerd. De lijst met strijdigheden is beoordeeld en waar wenselijk is de huidige situatie in overeenstemming gebracht met de regels en verbeelding.

De controle op de naleving van het bestemmingsplan wordt uitgevoerd door de Omgevingsdienst IJmond. Nadat een (niet te legaliseren) feit is geconstateerd wordt, ingevolge het draaiboek, behoudens spoedeisende gevallen, eerst de overtreder benaderd aan de overtreding een einde te maken. Dit kan door middel van het staken en opheffen van de strijdigheid.

Indien de strijdigheid niet wordt beëindigd, wordt aan het dagelijks bestuur van de gemeente voorgelegd met het middel van bestuursdwang of door het opleggen van een dwangsom te bevorderen, dat de situatie in overeenstemming wordt gebracht met de uitgangspunten van het bestemmingsplan. Daartoe wordt aan de overtreder een besluit verzonden, waarin is vermeld binnen welke termijn de overtreding moet worden beëindigd. Tevens staat in het besluit vermeld, welke actie vanwege de gemeente kan worden verwacht indien de strijdigheid niet wordt beëindigd. De kosten van deze handhaving worden op de overtreder verhaald.

Door de gemeente Zandvoort is een handhavingsprogramma vastgesteld, waarin is aangegeven wanneer en op welke wijze handhavend wordt opgetreden. De overtredingen die bij de inventarisatie van het bestemmingsplan 'Bentveld' zijn geconstateerd worden opgenomen in dit reguliere handhavingsprogramma. Het betreft een beperkt aantal gevallen en zal niet leiden tot een substantiële vergroting van de handhavingsopgave zoals die er nu ligt.

7.3.2 Inspraak en wettelijk vooroverleg

Het college van burgemeester en wethouders heeft op xx maand 2017 ingestemd met het voorontwerpbestemmingsplan "Bentveld 2017". het voorontwerpbestemmingsplan zal tegelijkertijd met het wettelijke vooroverleg met ingang van xx maand 2017 gedurende vier/ zes weken ter visie worden gelegen. Gedurende de tervisielegging kan heeft eenieder een inspraakreactie indienen. De beantwoording van de inspraakreacties

In het kader van het wettelijk vooroverleg ex. artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan "Bentveld 2017" op xx maand 2017 voorgelegd aan diverse besturen van betrokken instanties. De resultaten van het vooroverleg zullen opgenomen worden in het ontwerp-bestemmingsplan.